Over de toekomst praten kan in het Engels op verschillende manieren. Welke tijd je gebruikt, hangt af van de bedoeling van wat je zeggen wilt.

Als je zeker weet dat iets gaat gebeuren: future tense

will + hele werkwoord

 

–>The sun is shining. The snowman will melt.

Als het gaat om een aan te geven dat je iets van plan bent of iets wilt voorspellen

be going to

 

–> I am going to the cinema this evening.

–> Look at those clouds. It’s going to rain.

Als iets binnenkort gaat gebeuren. Het gaat dan om iets dat afgesproken is

be + ww+ing (present continuous)

 

–> I’m meeting him at the station at 3 o’clock.

Deze zin geeft aan dat je een afspraak met hem gemaakt hebt om hem om 3 uur te ontmoeten op het station. Zou je hier be going to gebruiken, dan gaat het om een plan dat je hebt waar hij niet van op de hoogte hoeft te zijn. Het kan voor hem dan een verrassing zijn dat je er bent.

Als iets volgens een vast schema gebeurt

present simple

 

–> School starts at 8:15.

–> The train leaves at 7:25.

–> I have my guitar lessons on Wednesdays.