Bij de tegenwoordige tijd heb je in het Engels keuze uit twee tijden, de present simple en de present continuous

Present simple

Wordt gebruikt als iets een gewoonte of een feit is of als iets regelmatig (niet) gebeurt. In het laatste geval komen vaak woorden voor als usually, often, always, never, sometimes voor in de zin.

 

–>I always go to school by bike.

 

Present continuous

Wordt gebruikt als

  1. iets nu gebeurt
  2. iets in de nabije toekomst plaats vindt
  3. je je ergert aan iets dat vaak gebeurt; vaak staat daar het woord always bij.

 

–> I am reading a book.
–> I am meeting him this afternoon
–> He’s always doing his homework.
De betekenis van deze zin is dat hij vaak zij huiswerk doet, te vaak naar de mening van degene die het zegt. Dit komt voor in een situatie als:

- “Zullen we Tom vragen of hij ook mee gaat naar de bioscoop?”

- “Laat maar. Die is toch zijn huiswerk aan het maken.”

- “Op vrijdagavond?”

- “Hij is altijd zijn huiswerk aan het maken.”