Het gebruik van de past simple (verleden tijd) of the present perfect (voltooid tegenwoordige tijd) is voor Nederlandse leerders van de Engelse taal een lastige. Dit heeft te maken met het feit dat het verschil tussen ‘verleden’ en ‘voltooid’ in het Engels groter is dan in het Nederlands. Waar in het Engels sprake is van ‘verleden’ wordt in het Nederlands nog een voltooide tijd gebruikt.

Past simple (verleden tijd)

Wordt gebruikt als iets in het verleden heeft plaats gevonden en is afgerond, het is echt voorbij. Vaak staat in de zin een tijdsbepaling die aangeeft dat het verleden tijd is: last month, yesterday, a minute ago, in 1999.

 

–> I bought a new bike last week.

Door de woorden ‘last week’ wordt duidelijk dat deze gebeurtenis zich in het verleden heeft afgespeeld. Er moet dus een verleden tijd gebruikt worden.

Dit heeft echter een verschil met het Nederlands. De vertaling van deze zin is ‘Ik heb vorige week een fiets gekocht’. Hier wordt dus een voltooide tijd gebruikt (heb gekocht).

Present perfect (voltooid tegenwoordige tijd)

Wordt gebruikt als

  1. iemand met iets in het verleden begonnen is en nog steeds doet of als iets in het verleden begonnen is en nog aan de gang is
  2. als het niet belangrijk is wanneer iets gebeurd is, maar iemand heeft iets gedaan of er is iets gebeurd waarvan de resultaten nog merkbaar zijn.

Vaak komen in de zin de woorden for (als je het over een periode van tijd hebt) of since (voor.

 

–> I have bought a new bike
(en dat kun je zien want ik rijd er nu op; het is onbelangrijk om te vermelden wanneer de fiets gekocht is).
–> I have lived here since 2001
(ik woon hier sinds 2001 en doe dat nog steeds).

 

Simple past <–> present perfect: wat zeg je met welke tijd?

–> I worked for that company for three years.
(ik werk er nu dus niet meer)
I have worked fort hat company for three years.
(en ik werk er nu nog steeds)

 

–> John Smith wrote a number of short stories.
(waarschijnlijk is John Smith dood, want hij schrijft niet meer)
John Smith has written a number of short stories.
(John Smith leeft nog en kan nog meer schrijven)

 

–> I saw wolves in that forest.
(het bos is waarschijnlijk gekapt, want de wolven kunnen niet meer gezien worden)
I have seen wolves in that forest.
(het is nog steeds mogelijk om wolven te zien)

 

–> He lived here all his life.
(door de toevoeging ‘all his life’ kun je aannemen dat hij dood is, want hij woont er niet meer)
He has lived here all his life.
(en hij woont er nu nog steeds)