When I arrived (2) Ann had just left (1).

De past perfect wordt gebruikt om aan te geven dat iets in het verleden gebeurde (1) vlak voor iets anders gebeurde (2). Eerst gaat Ann weg, dan kom ik binnen. Voor het deel dat als eerste gebeurt (Ann gaat weg) wordt de past perfect gebruikt. Voor het deel dat als tweede gebeurt (ik kom binnen), de past simple.

Op een tijdlijn kan dat als volgt weergegeven worden:

Het woordje ‘just’ in het voorbeeld geeft al aan dat iets net gebeurd is. Als we het weglaten, blijft de betekenis nog steeds hetzelfde: Ann was weg toen ik binnen kwam. Het zijn twee opeenvolgende gebeurtenissen. Dit komt door het gebruik van de past perfect. Zou de past perfect niet gebruikt worden en in plaats daarvan de simple past , dan zijn het twee gebeurtenissen die tegelijkertijd gebeuren: When I arrived, Ann left. Op het moment dat ik binnen kom, vertrekt Ann.

Handig is dus om je altijd af te vragen of het om gebeurtenissen gaat die tegelijkertijd afspeelden of elkaar opvolgden. Bij de laatste kun je je vervolgens afvragen welke gebeurtenis als eerste plaats vond en welke als tweede.

In het kort

Hebben er in het verleden twee opeenvolgende gebeurtenissen plaats gevonden en wordt dit in één zin vermeld, dan

–> eerste gebeurtenis past perfect

–> tweede gebeurtenis simple past

Een aantal voorbeelden

The match had started before we arrived at the stadium.
Eerst begon de wedstrijd –> past perfect
toen kwamen we aan –> simple past

After he had done his homework, he played a computer game.
Eerst maakt hij zijn huiswerk –> past perfect
toen speelde hij een computerspelletje –> simple past

When she had passed her exams she went on a holiday.
Eerst was ze geslaagd voor haar examen –> past perfect
toen ging ze op vakantie –> simple past

The girl crossed the street after the traffic lights had turned red.
Eerst ging het stoplicht op rood –> past perfect
toen stak ze over –> simple past