Op de plaatjes hieronder kun je zien wat Martin zoal tijdens zijn vakantie vorig jaar gedaan heeft:

Monday Tuesday Wednesday
He arrived at the campsite and put up his tent. He relaxed on the beach. He went to a concert.
Thursday Friday Saturday
He danced all night at the disco He shopped for presents for his friends. He travelled home by train.

Wanneer gebruik je de past simple?

Als je over iets wilt praten dat in het verleden is gebeurd en ook is afgelopen, dan gebruik je de past simple.

Vaak wordt daar dan bij verteld wanneer het in het verleden was. Er wordt een tijdsaanduiding gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn:

- yesterday
- this morning
- a week ago
- last year
- in 1995

In het voorbeeld van de vakantie van Martin was dat vorig jaar.

Hoe maak je de past simple?

Hierbij moeten we een verschil maken tussen regelmatige en onregelmatige werkwoorden. Bij regelmatige werkwoorden plaats je -(e)d achter het werkwoord. Daarom zijn ze regelmatig.

Onregelmatige werkwoorden wijken in vorm af. Een overzicht van de meest voorkomende onregelmatige werkwoorden vind je op: http://wp.digischool.nl/engels/oefenen/grammatica/onregelmatige-werkwoorden/

De past simple is de vorm in het tweede rijtje, de verleden tijd. Het handigst is het om de onregelmatige werkwoorden uit je hoofd te leren en vaak te oefenen. Ze blijven dan vanzelf in je hoofd zitten, zodat je ze gebruiken kunt als je ze nodig hebt.

In het kort

De past simple wordt gebruikt:

- als je wilt praten over iets dat in het verleden gebeurd is en afgerond is.

Je maakt de past simple door:

- bij regelmatige werkwoorden -(e)d achter het werkwoord te zetten.
–> He relaxed on the beach.
- bij onregelmatige werkwoorden de bijbehorende vorm te gebruiken.
–> He went to a concert.

Onregelmatige werkwoorden kun je het best uit je hoofd leren en vaak oefenen. Een overzicht kun je vinden op deze pagina.