Bij deze uitleg gaat het om vragen waar je een ja/nee-antwoord op krijgt.

Voorbeeld:
Ben je ziek? Are you ill?
Zal hij er morgen zijn? Will he be there tomorrow?
Mag ik je een vraag stellen? Can I ask you a question?

Wat moet je doen?

1. Kijk of het woord waarmee je de zin wilt beginnen voor komt in het volgende rijtje:

am/is/are
am –> bij I,
is –> bij he, she, it
are –> bij you, we, they
was/were
was –> bij I, he, she, it in de verleden tijd
were –> bij you, we, they in de verleden tijd
can/could
will/would
must

2. Ja? –> Dan kun je de vraagzin met dat (hulpwerk)woord laten beginnen. De voorbeelden hierboven laten dat zien.

3. Nee? –> Nu moet je een trucje uit halen. Voor het stellen van de vraag, zet je nu do/does/did vooraan.

do –> bij I, you, we, they
does –>bij he, she, it
did –> in de verleden tijd
Voorbeeld:
Loop je naar school? Do you walk to school?
Zwemt hij elke morgen? Does he swim every morning?
Liep hij de marathon? Did he walk the marathon?

Een vraag stellen met have/has

Met have/has kan het stellen van een vraag een beetje lastig zijn. Dat komt omdat have/has onder het rijtje bij 1 kan vallen, maar ook onder 3. Valt het onder 1,  dan is het een hulpwerkwoord om de voltooide tijd te maken. Je begint de vraag dan met have/has.

Voorbeeld bij 1
Heb je hier je hele leven al gewoond? Have you lived here all your life?
Is hij ooit naar Italië geweest? Has he ever been to Italy?

Valt have/has onder 3, dan geeft het ‘bezit’ aan, iemand ‘heeft’ iets.

Voorbeeld bij 3:
Heb je broers of zussen? Do you have brothers or sisters?
Heeft hij griep? Does he have the flu?

Maar: gebruik je have/has samen met het woordje ‘got’ om een bezit aan te geven, dan valt het weer onder 1 en begin je de vraag met have/has.

Voorbeeld:
Heb je broers of zussen? Have you got brothers or sisters?
Heeft hij griep? Has he got the flu?

In het kort

Een vraag stel je door

1. de vraag met één van de vormen van am | is | are | was | were | can | could | will | would | must te beginnen.

2. de vraag met do | does | did te laten beginnen als het werkwoord, waarmee je de vraag wilt beginnen, niet in dit rijtje valt.

3. bij have |has | had te je kijken of het een hulpwerkwoord is om de voltooide tijd te maken of dat het gebruikt wordt in combinatie met ‘got’. In het laatste geval gebruik je have | has om de vraag mee te beginnen. In de andere gevallen begin je de vraag met do | does| did.

Vragen stellen met de (hulp)werkwoorden
Vragenstellen met do/did/does
Vragen wel of niet beginnen met ‘have’
Vragen stellen