‘If’ betekent ‘als’ of ‘indien’. Als je (een deel van) een zin hiermee laat beginnen, geef je een voorwaarde aan: ‘Als hij rent, zal hij op tijd zijn’. De voorwaarde om op tijd te zijn, is dat hij moet rennen: if he runs, he will be on time.

Een if-zin bestaat uit twee gedeelten: het gedeelte dat begint met ‘if’ (if he runs), de voorwaarde, en het hoofdgedeelte van de zin (he will be on time). Het maakt geen verschil of je de zin met het hoofdgedeelte laat beginnen of met if. Wel moet je in de schrijfwijze dan met het volgende rekening houden:

Als de zin begint met ‘if’, dan komt er een komma tussen het if-gedeelte en de hoofdzin. Begint de zin met de hoofdzin en komt daarna het if-gedeelte, dan komt er geen komma.
–> If he runs, he will be on time.
–> He will be on time if he runs.

 

Er zijn drie verschillende soorten if-zinnen. Bij alle drie verschilt het iets in betekenis. Bij het bestuderen van if-zinnen, is het van belang dat je goed op de hoogte bent van de verschillende tijden en werkwoordsvormen in het Engels.

If-zin 1: Mogelijkheid

Je ziet hier een man die wacht op de bus. Blijkbaar is de bus aan de late kant, want hij staat op zijn horloge te kijken. Je zou hier de volgende zin bij kunnen maken: ‘Als de bus snel komt, is hij op tijd op zijn werk.’ De voorwaarde om op tijd op zijn werk te zijn, is dat de bus snel moet komen. En dat is heel goed mogelijk.
–> If the bus comes soon, he will be on time for his job.

–> He will be on time for his job if the bus comes soon

if + present tense, hoofdzin: will + hele werkwoord

If-zin 2: de verwachting is dat de actie in het if-gedeelte niet gaat plaats vinden

Je ziet hier iemand met een zak vol Euro’s. Hij heeft net een lot gekocht voor een loterij en denkt “Als ik een miljoen Euro’s zou winnen, zou ik een nieuwe auto gaan kopen”. De voorwaarde om een wereldreis te maken, is het winnen van een miljoen Euro en dat zal waarschijnlijk niet gebeuren.
–> If I won a million Euros, I would buy a new car.
–> I would buy a new car if I won a million Euros.

if + past tense, hoofdzin would + hele werkwoord

If-zin 3: de actie in de if-zin heeft niet plaats gevonden.

Hier ligt iemand in het ziekenhuis met een gebroken been nadat hij is gevallen tijdens het skiën. Als hij nou niet was gaan skiën, dan had hij zijn been niet gebroken. Dit wordt achteraf gezegd: “Als je niet was gaan skiën, had je je been niet gebroken.” Omdat het in de verleden tijd staat, kan aan de voorwaarde niet voldaan worden.
–> If you hadn’t gone skiing, you wouldn’t have broken your leg.
–> You wouldn’t have broken your leg if you hadn’t gone skiing.

if + past perfect, hoofdzin would have + voltooid deelwoord

In het kort

Met ‘if’ geef je een voorwaarde aan. Er zijn drie verschillende soorten if-zinnen. Het verschil in betekenis zit in de tijden die in de verschillende zinnen gebruikt worden.

If + present tense, hoofdzin will + hele werkwoord
–> om de mogelijkheid van de voorwaarde aan te geven
If + past tense, hoofzin would + hele werkwoord
–> bij de verwachting dat iets waarschijnlijk niet plaats gaat vinden
If + past perfect, hoofdzin would have + voltooid deelwoord
–> actie heeft in het verleden niet plaatsgevonden. Aan de voorwaarde kan niet voldaan worden.