Je ziet hieronder op de plaatjes wat Tim dagelijks doet. Kijk naar de plaatjes en lees de zinnen die er bij staan.

Tim wakes up at 7 o’clock He washes his face at a quarter past seven. He gets dressed at half past seven.
He has breakfast at a quarter to eight. He cycles to school at eight o’clock. School starts at a quarter past eight.
At half past twelve he has lunch. He cycles back home at half past three. At half past four he does his homework.
Tim has dinner at six o’clock. At half past eight he watches TV. He goes to sleep at half past nine.

Aan de dagindeling van Tim kun je zien dat er dingen zijn die hij (op schooldagen) altijd doet. Je noemt dat een gewoonte. De zinnen staan hiervoor in de tegenwoordige tijd.

Een belangrijk punt om te onthouden is dat er bij he/she/it een -s achter het werkwoord wordt geplaatst. In het dagschema van Tim kun je dat zien aan ‘ he wakes up’, ‘he gets dressed’ en ‘he cycles‘. Dit geldt ook voor woorden die door he/she/it vervangen kunnen worden. Dit kun je zien bij ‘School (=it) starts‘.

In de dagindeling van Tim komen echter ook een paar werkwoorden voor, waar niet alleen een -s wordt toegevoegd:

Bij ‘he washes‘  en ‘he watches’ kun je zien dat er een -e is bijgeplaatst. Het werkwoord is ‘wash’  en ‘watch’. Omdat dat werkwoord eindigt op een s-klank, wordt er in plaats van alleen een -s, een extra -e toegevoegd. Die -e spreek je dan vaak uit als de i in ‘zit’.
Een tweede verschil kun je zien bij ‘he goes’ en ‘he does’. Ook hierbij is een -e toegevoegd. Dit komt omdat deze werkwoorden eindigen op een -o.
Het derde verschil zie je bij ‘he has’. Ook bij she/it krijg je ‘has’.
Dan is er nog een verschil dat in het voorbeeld van Tim niet voorkomt: bij woorden die eindigen op een -y, verandert dit bij he/she/it in -ies:He worries a lot about passing his exams.

Let op: ook dingen die iemand nooit doet, is een gewoonte: Tim never gets up at 6 o’clock.

Situaties waarin de tegenwoordige tijd voorkomt, zijn bijvoorbeeld:

Als je iets wilt vertellen over je rooster op school:à We always start school at 8:15.
Als je iets wilt vertellen over aankomst- en vertrektijden van een trein, bus, vliegtuig of tram of de plaats hiervan:à The train to Dover leaves from platform 4.
Als je iets wilt vertellen over dingen die je wekelijks, maandelijks, enzovoort doet:à I always play football on Saturdays.à I never go out on Fridays.

In het kort:

Wanneer?

De tegenwoordige tijd (present simple) wordt gebruikt wanneer je wilt zeggen dat

iets een feit is of
een gewoonte is of
iets dat regelmatig gebeurt. In de zin komen dan vaak woorden zoals sometimes, often, always, usually, never voor.

Hoe?

He/she/it krijgen een extra -s achter het werkwoord.

Maar:

einidigt het werkwoord op een s-klank, dan wordt -es toegevoegd.
go wordt goes en do wordt does
eindigt een woord op -y, dan wordt dit vervangen door -ies.

Waar moet ik nog meer op letten?

de vormen van het werkwoord ‘be’. Kijk daarvoor bij de uitleg van dat werkwoord.
het werkwoord ‘have’ verandert bij he/she/it in ‘has’.
Wel of geen -s (1)?
Wel of geen -s (2)?
-s of -es?
Juiste vorm maken (1)
Juiste vorm maken (2)
Alles in één