The sun is shining. The snowman will melt.

Als iets wilt zeggen dat in de toekomst zeker gaat gebeuren, dan gebruik je daarvoor de future tense (will melt). In het Nederlands gebruiken we vaak ‘zal’ of ‘zullen’.

Zo maak je de future tense:

will + hele werkwoord

–> The snowman will melt.

Zo kun je de future tense tegenkomen in de zin:

 

Bevestigend
I will/shall I’ll
you/he/she/it/they will you/he/she/it/they’ll
we will/shall we’ll

 

Ontkennend
I will/shall not I shan’t/won’t
you/he/she/it/they will not you/he/she/they won’t
we shall/will not we shan’t/won’t

 

Vragend Ontkennende vraag
Shall I? Shan’t/won’t I?
Will you/he/she/it/they? Won’t you/he/she/it/they?
Shall we? Shan’t/won’t we?

 

Zoals je kunt zien, komen bij I en we ( 1e persoon enkel- en meervoud) twee vormen voor: shall en will.

Vroeger werd shall veel meer gebruikt dan tegenwoordig. In gewone gesprekken wordt will gebruikt.

Shall komt echter nog wel voor in vraagzinnen:

–> in een aangeplakte vraag (question tag) na let’s
Let’s go, shall we?
–> bij een voorstel
Shall we take  taxi?
–> bij een vraag naar instructie (als je wilt weten wat je moet doen)
Which one shall I wear? The blue one or the red one?