Verhalen bouwen rondom de aanwijzende voornaamwoorden?

PQA, Talen, TPRS algemeen, TPRS-instructie 1 Reactie »

Een tijdje geleden gaf een collega aan het moeilijk te vinden een verhaaltje te bouwen rondom de aanwijzende voornaamwoorden. Nadat ze de verschillende opties had besproken en gecirkeld (bijvoorbeeld: “Wil Henk deze of die fiets?”), liep ze vast en had ze geen inspiratie meer om het verhaaltje verder te brengen.

Dit ‘probleem’ kun je op verschillende manieren oplossen:

a) We zijn snel geneigd de aanwijzende voornaamwoorden te gebruiken in combinatie met het lijdend voorwerp. Probeer ze echter ook eens te koppelen aan het onderwerp of plaatsbepaling (“Willen deze meisjes of die meisjes een nieuwe jurk?”, “Gaat Jan naar deze winkel of die winkel?”, etc.);

b) Beeld de aanwijzende voornaamwoorden fysiek uit: hang relevante foto’s/plaatjes op verschillende plaatsen in je lokaal of zet voorwerpen her en der in de ruimte neer.
Ook kun je je leerlingen individueel of in groepjes de rol van onderwerp, voorwerp of locatie geven. Zorg ervoor dat ze zich verspreiden door de klas.
Koppel vervolgens de foto’s/voorwerpen/leerlingen aan een van de aanwijzende voornaamwoorden en wijs of loop naar de verschillende ‘locaties’ telkens wanneer je een ander aanwijzend voornaamwoord belicht.

c) Gebruik extra details om ‘deze/die’-locatie of ‘dit/dat-voorwerp’ interessanter te maken, dus ‘die fiets, met de roze trappers’ in plaats van enkel ‘die fiets’.

d) Creëer een parallel verhaal rondom een persoon die niet ‘deze pennen wil’, zoals de hoofdpersoon uit het oorspronkelijke verhaal, maar juist ‘die (pennen), daar bij het raam’.

e) Dit laatste kun je ook doen wanneer je in gesprek gaat met je leerlingen (“Wil jij (= leerling A) dat boek, met de gouden kaft, of wil (leerling B) dat boek?” “Nee, (leerling B) wil niet dat boek, met de gouden kaft, maar dit boek, dat behoorlijk duur is”, etcetera.

Ik hoop dat jullie wat hebben aan deze tips. Veel succes met het uitproberen ervan!

Groetjes,

Iris

Gebarentaal en oude gewoonten

Lessen bijwonen, Nederlandse Gebarentaal, TPRS algemeen 2 Reacties »

Afgelopen week merkte ik dat ik niet alleen als docent, maar óók als leerling nog wel eens verval in oude gewoontes. Ik zat als deelnemer én coach in een proefles Nederlandse Gebarentaal met TPRS. Het was de bedoeling dat ik de docent, die TPRS aan het leren is, feedback zou geven over de les. En dat was helemaal niet gemakkelijk! Blijkbaar vind ik het toch moeilijker om een les in gebarentaal te beoordelen dan een les in gesproken taal, omdat er bij gebarentaal zoveel andere dingen komen kijken dan bij een gesproken taal.

In het begin was het bijvoorbeeld niet voor iedereen duidelijk dat de docent een vraag stelde. Ze had net gebaard (en de betekenis met woorden en plaatjes duidelijk gemaakt) “mijn naam is Iris”, en vroeg toen aan een cursist: “is jouw naam Iris?” De cursisten begrepen niet dat dit een vraag was. De automatische reactie van de docent was: de vraag aan iemand anders stellen, de bevestigende zin nog eens herhalen, nóg eens de vraag stellen, enzovoort, net zolang tot we hadden geraden wat het betekende. Dit is een werkwijze die veel wordt gebruikt, maar die in TPRS juist níet wordt gebruikt. Het effect is namelijk dat mensen moeten gaan raden en onzeker worden. Bovendien kost het veel tijd, kostbare tijd die beter aan begrip en verwerving besteed kan worden. De TPRS-manier om dit op te lossen is: de vertaling op het bord schrijven. Dit is HEEL BELANGRIJK! Het is dan in één keer duidelijk wat je bedoelt. Bovendien kon de docent de “vertaling” dan gebruiken om duidelijk te maken hoe wij konden zien dat ze een vraag stelde, door op de woorden te wijzen bij het gebaren, en door verband te leggen tussen het vraagteken en de hoofdhouding en gezichtsuitdrukking (waaruit blijkt dat je een vraag stelt). Dit is grammatica in context, ofwel betekenisgrammatica.

Ook was ik als deelnemer dankbaar voor uitleg die ze gaf over het ontbreken van een mondbeeld bij persoonlijk voornaamwoorden (dit betekent dat je mond niet beweegt als je op een persoon of naar jezelf wijst). Zeker als taaldocent die ervan houdt talen uit te pluizen en op basis van regeltjes zinnen in elkaar te knutselen vond ik het prettig om deze informatie te krijgen. Ik wist wel dat het niet des TPRS is, maar kon pas ná de les bedenken hoe het dan wél had gemoeten. In TPRS geldt: géén algemene regels! Alle uitleg die je geeft, gaat alléén over precies dát wat je net hebt gezegd. Dus als de docent gebaarde “ik heet Iris”, dan hoefde ze alléén te laten zien dat bij “ik” geen mondbeeld hoort. Op een ander moment gebaarde ze “hij heet Tom”, en kon ze laten zien dat bij “hij” geen mondbeeld hoort. Dit is wat ze noemen “grammatica-popups”, of ook wel “betekenisgrammatica”. Het gaat altijd om de betekenis van de woorden/gebaren/mondbeeld op DAT moment. Hiermee krijg je het voor elkaar dat mensen gaan gebaren ZONDER na te denken. Zodra je een regel gaat geven, gaan mensen nadenken bij het gebaren, en gaat de communicatie haperen!!!

Het was voor mij heel leerzaam om na te denken over TPRS ten behoeve van gebarentaal, en om te merken dat ik als deelnemer en talenfreak anders reageer dan als coach. Wil dat dan zeggen dat ik het als coach helemaal mis heb? Ik denk van niet. Als coach overzie ik het hele leerproces, als deelnemer alleen dat kleine stukje waar ik mee bezig ben.

In welke oude gewoonten verval jij nog wel eens? Als docent? En als leerling?

Kirstin Plante

TPRS in de les

TPRS algemeen Geen Reacties »

TPRS in de les

Hoi mijn naam is Blanca en ik werk op het KSG in Apeldoorn en geef Spaans in het (T)VWO. Voor de eerste keer durf ik structureel TPRS in mijn lesprogramma op te nemen. Ik merk dat het leuk is om per hoofdstuk te kijken welke leerstructuren voor het verhaal ik ga kiezen. Nadat ik de structuren heb gekozen is mijn volgende uitdaging het bedenken van een verhaaltje dat leuk is, maar dat zich ook leent voor het cirkelen en verdere ‘follow up- activities.

Verhaal/structuren toetsen

Kortgeleden heb ik met behulp van TPRS beoordeeld voor een cijfer. Het was leuk om te zien dat de leerlingen uit VWO 2 structuren schriftelijk konden produceren die normaal gesproken pas in de 3e of zelfs 4e klas in de boeken aan bod komen. Mijn toetsopgave bestond uit: ‘waar of niet waar’- stellingen, een zin opschrijven onder een plaatje, een korte re- telling.

De tops

Ik heb voor de eerste keer het verhaal en de structuren van een verhaal getoetst. De leerlingen hebben het goed gemaakt. Sommigen hadden details weggelaten, maar op hoofdlijnen kenden zij het verhaal vrij goed.
De structuren heb ik apart getoetst met een ander context, omdat ik ook het verloop van het verhaal wilde toetsen. Het wordt iets makkelijker om een verhaal te verzinnen aan de hand van een hoofdstuk uit mijn leergang.

De tips

Ik gebruik nu cue cards om tijdens het cirkelen niet te vergeten welke structuren centraal staan in het verhaal. Dit voorkomt dat ik andere structuren ga cirkelen en dat ik afwijk van het originele plan.

Vaart in een verhaal

Talen, TPRS-instructie Geen Reacties »

Afgelopen week heb ik weer eens een ouderwets verhaal gebouwd met mijn klas (een nieuwe groep, enige voorkennis).
Inhoudelijk was mijn doelstelling de verleden tijden te introduceren, gekoppeld aan vocabulaire gerelateerd aan een hotel (receptie, vijf sterren, restaurant, check-in etc.). Qua vorm wilde ik graag wat meer vaart in het verhaal, omdat ik regelmatig aanloop tegen het feit dat ik blijf ‘hangen’ in minder belangrijke details van het verhaal.

De vaart lukte prima; ik ging met grote stappen van scene naar scene. Mijn aandacht voor het cirkelen verslapte hierbij echter, terwijl ik heel goed weet dat dít juist de basis is van TPRS! Volgende keer ga ik proberen een betere dynamiek te creeeren tussen acties (de verschillende scenes) en de details (het inkleuren van deze scenes). Door deze betere dynamiek komt het verhaal automatisch beter op gang. Hebben jullie hier ervaring mee? Hoe pak je dit aan?

Grappig is dat je er zelf wel van kunt balen dat je verhaal niet uit de steigers kwam, maar dat je leerlingen elkaar dan weer aanstootten met de opmerking ”this is so much more fun than our English course”. Dat geeft de burger weer moed :-) .

Met dank aan Kirstin voor de fijne observaties!!

Iris Maas