TPRS in de rolstoelles – 2 –

Zoals ik al eerder in een kort stukje vertelde geef ik les aan lichamelijk gehandicapte mensen in Zuid – Limburg. Vorig jaar heb ik daar van september tot december met mijn vrienden de Spaanse taal geoefend. En dit jaar mocht ik weer drie maanden eraan vastplakken.

Het is een groep die uitsluitend met TPRS werkt, geen huiswerk krijgt, niet kan schrijven (sommigen), maar wel kan lezen.

Dit maakt, dat ik erg alert moet blijven op mijn tempo (heel langzaam, dus!) en op de hoeveelheid nieuwe woorden die aangereikt kunnen worden. En… het verhaal moet iets met hen te maken hebben. Ook dat ligt gevoelig: niet iedereen kan lopen of goed zien. Dus ik moet de verhalen zo maken, dat iedereen zich erin herkend. En die dingen, die zij zelf niet kunnen, die laten we een olifantje en een kikker doen. En oh wee, als ik een keertje de poppetjes vergeten heb. Smoesjes zoals: het olifantje was verkouden en de kikker had hoofdpijn werken maar een keer. Maar toch hebben we dan geoefend hoe je “verkouden” en “hoofdpijn” zegt.

Wat ik jullie nog wil meegeven is, dat ik me enorm verbaas over hoeveel ze onthouden! Want eerst zeiden ze allen tegen mij: “Wij leren toch niks. Probeer maar, zul je zien…” En nu geven ze mij op alle vragen antwoorden en proberen elkaar te overtroeven.

Soms loopt eentje zomaar weg. Dan heeft iemand hem gezegd, dat hij te veel zeurt. Eerst vroeg ik me af wat ik moest doen. Maar algauw bleek, dat de nieuwsgierigheid het wint van de boosheid, want hup!, daar rolde de rolstoel weer binnen.

Ook dit is anders dan anders. Het zijn volwassen mensen, maar soms reageren zij als lastige kinderen. Dan zet ik een liedje op en deel de tekst uit en is de rust weer in de groep gekeerd.

Heeft een van jullie ervaring met dit soort lessen? En zo ja, wat voor tips geef je me? Alvast mijn dank voor het meedenken.

Lieve groet aan allen en een fijne week, Ingrid

Woord van de week

De afgelopen weken heb ik geëxperimenteerd met een “woord van de week”. Ik schreef een uitroep op het bord, zoals “Echt waar?” “Niet te geloven!” of “Waanzinnig!” Deze had een andere kleur dan de normale woorden, maar de vertaling stond er wel onder.

Iedere keer als er bijzondere nieuwe informatie was in het verhaal of in een PQA-gesprek, gebaarde ik dramatisch naar de hele klas, terwijl ik naar de uitroep wees. De hele klas brulde dan: “Waanzinnig!” (of wat het woord van de week ook was).

Dit verhoogt niet alleen enorm de sfeer in de klas – het samen roepen lijkt wel een energiestoot te geven – maar ook merk ik dat leerlingen steeds meer uit zichzelf die reacties geven op passende momenten. Eén van mijn verlegenste (vindt u ook dat dit inmiddels een beetje raar klinkt? Ik heb de neiging om “meest verlegen” op te schrijven) leerlingen voelt zich helemaal thuis in de uitroepen en geeft nu te pas en te onpas (vooral te pas) reacties op hetgeen anderen zeggen!

Zin om dit uit te proberen? Laat ons weten hoe het gaat (klik op de link rechtsboven dit bericht)!

Kirstin Plante