Doceren met TPR en TPRS voor docenten klassieke talen

Als docent Grieks en Latijn kun je net als bij de moderne vreemde talen gebruik maken van technieken als TPR en TPRS. Daar zitten ten opzichte van talen zoals Frans, Duits en Engels zowel voordelen als nadelen aan.

Voordelen

  1. Docenten moderne vreemde talen moeten hun leerlingen vier basisvaardigheden aanleren: luisteren, spreken, lezen en schrijven. Leerlingen Grieks of Latijn hoeven uiteindelijk alleen te kunnen lezen (en vertalen). Als docent kun je een groot deel van de lestijd besteden aan die vaardigheid. 
  2. Leesvaardigheid is net als luistervaardigheid een passieve vaardigheid, een input-vaardigheid. Een passieve beheersing van een taal is altijd gemakkelijker dan actieve vaardigheden. Met het gat tussen actieve en passieve beheersing hoeven docenten klassieke talen geen rekening te houden.
  3. Voor TPR en TPRS zijn verhalen nodig om mee te oefenen. Gelukkig voor docenten klassieke talen is het corpus Latijn en Grieks enorm: historische overleveringen, toneelstukken, mythen, sagen, fabels en brieven. Deze verhalen zijn gemakkelijk aan te passen voor TPRS of een embedded reading. De leerling maakt op die manier direct kennis met de inhoud van het klassieke corpus, dat natuurlijk aansluit bij de uiteindelijke kennis die benodigd is voor het eindexamen.
  4. Door constant met de taal bezig te zijn in de taal zelf, kunnen leerlingen niet alleen direct kennis nemen van de woorden en grammatica, maar ook van de cultuur. Daarmee vergroten zij hun cultuurhistorische kennis op hetzelfde moment als hun (ver)taalvaardigheid.

Nadelen

  1. Het eindniveau leesvaardigheid is bij de klassieke talen een stuk hoger dan bij moderne vreemde talen. Wat we overgeleverd hebben, zijn voornamelijk literaire teksten over  veelal abstracte onderwerpen. Voor een leerling zijn dat soort teksten inhoudelijk en grammaticaal ingewikkeld. 
  2. Als docenten gebruik willen maken van de voordelen van TPR en TPRS moeten zij zelf wel een actieve beheersing hebben van alle vier de basisvaardigheden. Een actieve beheersing van het Grieks of Latijn is op dit moment geen onderdeel van de studie Griekse en Latijnse Taal en Cultuur. Docenten zullen daarom op eigen initiatief tijdens of na hun studie deze vaardigheden moeten opdoen. 
  3. Leerlingen moeten niet alleen de teksten kunnen lezen en begrijpen, maar ook kunnen vertalen naar goed lopende Nederlandse zinnen: een compleet andere vaardigheid. Mijn ervaring is wel dat wanneer kinderen direct kunnen begrijpen wat er staat, ze vaak beter en mooier kunnen vertalen.

De voordelen en nadelen die ik net heb opgesomd, zijn volgens mij de belangrijkste. Wat zijn volgens jullie nog meer belangrijke voor- en/of nadelen van TPR en TPRS bij klassieke talen? Laat het me weten.

Groetjes, Casper
Wie meer wil weten over actieve taalbeheersing als didactisch middel tijdens lessen Latijn en Grieks, kan terecht op de gratis lezing en workshop van Addisco Onderwijs op 18 maart 2014 (16.00 – 18.00)

Over de auteur:
Casper Porton biedt onder de naam Addisco Onderwijs  cursussen Latijn en Grieks in Hilversum en deelt zijn kennis over vernieuwend onderwijs in de klassieke talen op zijn weblog Classiculus.

TPRS en TPR & de klassieke talen – écht wel!

TPRS wordt niet alleen gebruikt door taaldocenten moderne vreemde talen, NT2 en gebarentaal, maar ook door docenten klassieke talen! In Amerika loopt er al een heel groepje van rond. Maar we hebben sinds een aantal jaren ook op eigen bodem een jonge enthousiaste docent die niet alleen TPRS maar ook TPR en andere methoden gebruikt in zijn lessen Latijn en Grieks! Graag stel ik jullie voor aan Casper Porton. Hij is docent klassieke talen op de Kees Boekeschool in Bilthoven, ook wel De Werkplaats kindergemeenschap genoemd. Hij heeft daarnaast zijn eigen taalbureau in Hilversum waar hij lessen klassieke talen en cultuur geeft aan volwassenen en bijlessen aan jongeren én hij werkt als dansleraar Latin, Ballroom, Salsa en Disco bij Danscentrum Cornelissen  in Utrecht!

Deze swingende docent klassieke talen zal hier ook regelmatig zijn verhaal doen als nieuwe TPRS blogschrijver, waarvoor we hem heel dankbaar zijn! Casper heeft ook een eigen blog, Classiculus. Zijn laatste blogbijdrage gaat over de Griekse voorzetsels en daar heeft hij een prachtig tekeningetje bij van muizen, kaas en een kat, maar ook een geweldige tekening van een leeuw en een man. Verder geeft hij er uitleg hoe je zo'n voorzetsel-les zou kunnen doen. Al eerder heeft Casper op zijn blog geschreven over de Latijnse voorzetsels. Daar legt hij uit dat hij begint met TPR; dat geeft hij bij de Griekse voorzetsels niet expliciet aan, maar ook hier kun je uiteraard beginnen met TPR. Bij de plaatjes zou ik ook nog vragen stellen als : Is/zit de kat achter de kaas? Juist, de kat is/zit achter de kaas! Zit de kat voor de kaas? Prima, de kat zit achter de kaas, de kat zit niet voor de kaas. Zijn de muizen achter de kaas? Juist, de muizen zijn niet achter de kaas, de muizen zijn voor en in de kaas. De kat zit achter de kaas. Wie zitten er voor en in de kaas? Ja, de muizen zitten voor en in de kaas! Ben jij achter de kaas? Inderdaad, jij bent in de klas en jij bent niet achter de kaas. Wie zit achter de kaas? Klopt, de kat zit achter de kaas. Eerst deze vragen alvorens over te gaan tot de "waar" vragen. Dus via cirkelvragen eerst samen het vocabulaire verder opbouwen, nadat er met TPR al een start is gemaakt. Voor Latijn heeft Casper ook nog andere les voorbeelden, met een plaatje erbij van een hamster. Die staan op deze bladzijde van zijn blog. Je zou ze (diagnostisch) kunnen toetsen met een tekendictee. 

Voor degenen voor wie TPR een onbekende term is: de afkorting staat voor Total Physical Response = een taal letterlijk al doende en fysiek leren. TPR is in de zeventiger jaren van de vorige eeuw ontwikkeld door James Asher en er is veel wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. In Nederland en België is (en wordt) het veel gebruikt bij NT2, maar bij de moderne vreemde talen wordt het amper ingezet, hoogstens eens als onderdeel van een lesje over bijvoorbeeld, jawel, de voorzetsels of het lichaam of de dagelijkse routine. Maar daarmee doe je TPR écht tekort! Sinds ik per januari schrijf op mijn blog over de TPRS technieken die Ben Slavic beschrijft in zijn boek TPRS in a Year! ben ik weer meer met TPR gaan doen in de les. Niet heel lang steeds, maar het is als brainbreak en als onderdeel waarbij  de lichamelijk-kinesthetische intelligentie aan wordt gesproken een prettig onderdeel van de les, waarbij iedereen even lekker beweegt en we zo samen lol hebben én er tevens goede taalverwerving op de lange termijn plaats vindt.

TPRS is ontwikkeld door Blaine Ray vanuit TPR, nadat hij er een tijd succesvol mee gewerkt had, maar ook tegen de grenzen van TPR op was gelopen.

Ik vind dat TPR en TPRS elkaar prachtig aanvullen! In het Nederlandstalige handboek Storytelling voor het talenonderwijs – handboek TPRS voor docenten MVT en NT2 van Blaine Ray en Contee Seely staat een korte uitleg over hoe je TPR toe kunt passen :

  • Bijlage C, Frequentielijsten en TPR woordenlijst
  • Bijlage F, Beginnen met TPR

Voor wie zich verder in TPR wil verdiepen: Ramiro Garcia heeft een praktisch boek geschreven over het gebruik van TPR in de les: Instructor's notebook, how to apply TPR for best results.

Werk jij ook (wel eens) met TPR in je lessen? Wat zijn jouw ervaringen ermee?

Met collegiale groeten, Alike Last

Differentiëren – een voorbeeld

In een volwassenengroep Spaans met net-niet-beginners en best-wel-gevorderden heb ik de afgelopen weken een serie activiteiten gedaan waarmee om beurten iedereen op zijn eigen niveau werd bediend. Ik geef hier de essentie weer rondom één onderdeel van het doelvocabulaire. De voorbeelden geef ik in het Nederlands.

We begonnen met TPR: pak +  leg/zet neer. Ik gaf een aantal commando’s, klassikaal en individueel, en stelde af en toe vragen over (wat pakt Anne? Wie legt een pen neer?). Vervolgens gaven de cursisten elkaar commando’s. Beginners herhaalden alleen de commando’s die ik hen had gegeven, gevorderden maakten gecompliceerdere commando’s en kozen zelf andere voorwerpen.

De les werd afgesloten met een scène die ik samen met de klas verzon, en waarin de commando’s werden verwerkt: een kantoor met een zeer bazige baas, die iedereen rondcommandeerde.  De scène werd geacteerd door de cursisten. Beginners deden alleen wat ik hen opdroeg, gevorderden kregen wat meer inbreng in het acteren.

Voor de tweede les had ik een leesverhaaltje over een bazig konijn dat zijn baasje steeds bevelen gaf. Het taalniveau van het verhaaltje was vrij hoog, met af en toe  een gemakkelijke zin. De moeilijke zinnen liet ik vertalen door de gevorderden, de gemakkelijke zinnen door de beginners. Sommige makkelijke zinnen waren best lang, waardoor de beginners niet het gevoel kregen dat ze als kleuters behandeld werden :-) Soms stond er een onbekend woord in dat ik bij het oplezen alvast vertaalde, zodat een beginner de zin toch kon behappen.

In mijn vragen óver de zinnen kon ik nog eens extra differentiëren. Bijvoorbeeld de zin: “Federico zegt: Pak me op en zet me op de verwarming!” Eerst vraag ik wie dit zegt, tegen wie hij het zegt en wat hij zegt. Ik vraag “Hoe zeg je ‘pak hém op’?” en stel nog een paar vragen over de betekenis van de grammatica, zodat voor iedereen duidelijk is hoe de zin in elkaar zit. Dan maak ik het wat moeilijker. Ik vraag: “Wil Federico dat zij hem  op de verwarming zet?” In deze vraag (en het antwoord erop) komt in het Spaans een subjuntivo voor, een ‘lastige’ vorm voor Nederlandstaligen. Bij deze vraag en de daarop volgende vragen blijkt duidelijk hoe verschillend mijn publiek is: de beginners luisteren en begrijpen (daar zorg ik voor, door vertaling, gebaren, en begripscontroles), maar zijn nog te hard bezig met verwerken om antwoord te kunnen geven. De gevorderden geven wel antwoord, en na een paar vragen zien ze ook ineens dat de werkwoordvorm anders is, en stellen ze daar vragen over.

Het verhaal had een open einde, dus werd de les afgesloten met het in groepjes verzinnen van een einde. In dit geval zette ik de gevorderden bij elkaar en ook de beginners bij elkaar. Op deze manier konden beide groepen op hun eigen niveau met elkaar overleggen. In gemengde groepjes neemt de gevorderde vaak het voortouw, waardoor de beginner niet verder komt dan toehoren. Dit kan ook heel nuttig zijn, daar niet van, maar in dit geval was mijn doel: differentiëren.

In deze twee lessen heb ik op verschillende manieren kunnen differentiëren in input én output.  Gemakkelijke input bij de TPR en in de scène, moeilijke én gemakkelijke input in de leestekst, gemakkelijke én moeilijke vragen over de tekst. De output differentiëerde ik door de groepen in niveaus in te delen.

Was dit voor jou nuttig om te lezen? Wat zijn jouw manieren om te differentiëren?

Kirstin