Differentiëren – een voorbeeld

In een volwassenengroep Spaans met net-niet-beginners en best-wel-gevorderden heb ik de afgelopen weken een serie activiteiten gedaan waarmee om beurten iedereen op zijn eigen niveau werd bediend. Ik geef hier de essentie weer rondom één onderdeel van het doelvocabulaire. De voorbeelden geef ik in het Nederlands.

We begonnen met TPR: pak +  leg/zet neer. Ik gaf een aantal commando’s, klassikaal en individueel, en stelde af en toe vragen over (wat pakt Anne? Wie legt een pen neer?). Vervolgens gaven de cursisten elkaar commando’s. Beginners herhaalden alleen de commando’s die ik hen had gegeven, gevorderden maakten gecompliceerdere commando’s en kozen zelf andere voorwerpen.

De les werd afgesloten met een scène die ik samen met de klas verzon, en waarin de commando’s werden verwerkt: een kantoor met een zeer bazige baas, die iedereen rondcommandeerde.  De scène werd geacteerd door de cursisten. Beginners deden alleen wat ik hen opdroeg, gevorderden kregen wat meer inbreng in het acteren.

Voor de tweede les had ik een leesverhaaltje over een bazig konijn dat zijn baasje steeds bevelen gaf. Het taalniveau van het verhaaltje was vrij hoog, met af en toe  een gemakkelijke zin. De moeilijke zinnen liet ik vertalen door de gevorderden, de gemakkelijke zinnen door de beginners. Sommige makkelijke zinnen waren best lang, waardoor de beginners niet het gevoel kregen dat ze als kleuters behandeld werden :-) Soms stond er een onbekend woord in dat ik bij het oplezen alvast vertaalde, zodat een beginner de zin toch kon behappen.

In mijn vragen óver de zinnen kon ik nog eens extra differentiëren. Bijvoorbeeld de zin: “Federico zegt: Pak me op en zet me op de verwarming!” Eerst vraag ik wie dit zegt, tegen wie hij het zegt en wat hij zegt. Ik vraag “Hoe zeg je ‘pak hém op’?” en stel nog een paar vragen over de betekenis van de grammatica, zodat voor iedereen duidelijk is hoe de zin in elkaar zit. Dan maak ik het wat moeilijker. Ik vraag: “Wil Federico dat zij hem  op de verwarming zet?” In deze vraag (en het antwoord erop) komt in het Spaans een subjuntivo voor, een ‘lastige’ vorm voor Nederlandstaligen. Bij deze vraag en de daarop volgende vragen blijkt duidelijk hoe verschillend mijn publiek is: de beginners luisteren en begrijpen (daar zorg ik voor, door vertaling, gebaren, en begripscontroles), maar zijn nog te hard bezig met verwerken om antwoord te kunnen geven. De gevorderden geven wel antwoord, en na een paar vragen zien ze ook ineens dat de werkwoordvorm anders is, en stellen ze daar vragen over.

Het verhaal had een open einde, dus werd de les afgesloten met het in groepjes verzinnen van een einde. In dit geval zette ik de gevorderden bij elkaar en ook de beginners bij elkaar. Op deze manier konden beide groepen op hun eigen niveau met elkaar overleggen. In gemengde groepjes neemt de gevorderde vaak het voortouw, waardoor de beginner niet verder komt dan toehoren. Dit kan ook heel nuttig zijn, daar niet van, maar in dit geval was mijn doel: differentiëren.

In deze twee lessen heb ik op verschillende manieren kunnen differentiëren in input én output.  Gemakkelijke input bij de TPR en in de scène, moeilijke én gemakkelijke input in de leestekst, gemakkelijke én moeilijke vragen over de tekst. De output differentiëerde ik door de groepen in niveaus in te delen.

Was dit voor jou nuttig om te lezen? Wat zijn jouw manieren om te differentiëren?

Kirstin

“Werkwoordschoppers” of de woordvolgorde in de bijzin

Een van de het moeilijkst te verwerven fenomenen van het Nederlands  is de woordvolgorde. Ik ken heel veel buitenlanders die goed Nederlands spreken, maar hiermee na jaren nog steeds worstelen. Een van de redenen hiervoor is volgens mij dat dit fenomeen in hun moedertaal niet voorkomt, een andere reden is de manier waarop het in de les wordt aangeboden.

In het boek “Nederlands in gang” (Coutinho 2010) worden de voegwoorden en de daarvan afhankelijke woordvolgorde pas in hoofdstuk 18 aangeboden. Zelfs het hoogfrequente voegwoord omdat  wordt dan pas geïntroduceerd. In de dialoog van hoofdstuk 12 (elk hoofdstuk begint met een dialoog) wordt weliswaar een beginnetje gemaakt met de vraag “Weet u waar de evenementenhal is?” , maar op “Weet u waar … is” na wordt verder geen aandacht besteed aan deze lastige structuur. In hoofdstuk 18 worden naast omdat  ook nog de volgende voegwoorden aangeboden: hoewel, zodat, zodra, voordat, toen, als, nadat en terwijl. De cursisten worden dus met twee moeilijkheden tegelijkertijd geconfronteerd: de ach zo lastige woordvolgorde en – heel belangrijk – de betekenis van de verschillende voegwoorden. Pfffff… dat valt niet mee! Frustratie gegarandeerd!!!

In mijn TPRS-lessen maakt omdat van begin af aan deel uit van onze verhalen, we hebben het immers nodig als cursisten op de vraag waarom moeten antwoorden. De introductie van de voegwoorden en de woordvolgorde in de bijzin ziet er ongeveer als volgt uit.

Stap 1: Bijzinnen met omdat maken deel uit van verschillende verhalen en worden dus vaak herhaald.

Bijvoorbeeld:
“Frans gaat naar de dokter omdat hij ziek is.”
“Frans goes to the doctor because he is sick.” (Zo mogelijk staat de vertaling op het bord.)

“Gaat Frans naar de dokter omdat hij ziek is?’” -> “Ja, Frans gaat …”
“Gaat Lisa naar de dokter omdat zij ziek is?” -> “Nee, Lisa gaat niet …”
“Gaat Frans of gaat Lisa…?” -> “Frans gaat …”
“Gaat Frans naar zijn moeder omdat hij ziek is? “ -> “Nee, hij gaat niet …”

“Gaat Frans naar de dokter omdat hij blij is?” -> “Nee, omdat hij ziek is.
“Waarom gaat Frans naar de dokter?” -> “Omdat hij ziek is.”

 

Stap 2: Ik introduceer expliciet de “werkwoordschopper” omdat en zijn functie.

Bijvoorbeeld:
“Lady Gaga gaat naar de supermarkt omdat zij trek heeft.”

“Lady Gaga goes to the supermarket because she has an appetite.”

 

 

 

“Gaat Lady Gaga …?”

“Klas, omdat is een ‘werkwoordschopper’. Het werkwoord is heeft. Omdat schopt het werkwoord naar het eind van de zin.” (Zie ook: Storytelling voor het talenonderwijs, handboek TPRS, Arcos 2011, blz. 115) Meestal neem ik een voetbal mee naar de les en/of laat een plaatje van een voetballer zien. Ik omcirkel omdat en teken een voetbaalschoen en een gestippelde lijn naar het werkwoord. Daarna ga ik door met het stellen van vragen over de inhoud. Vervolgens stel ik een vraag over de structuur van de zin.

Bijvoorbeeld:
“Waarom staat omdat aan het eind van de zin?” -> “Omdat is een werkwoordschopper.”
 “Wat doet omdat?” -> “Omdat schopt heeft naar het eind van de zin.”
 “Hoe zeg je ‘omdat zij trek heeft’ zonder omdat” – “Zij heeft trek.”

De vragen over de structuur wissel ik altijd af met inhoudsvragen. Het gaat immers om het verhaal. De structuurvragen zijn alleen bedoeld om de aandacht heel even op de structuur te vestigen zodat deze beter verworven kan worden.

Stap 3, 4, 5 …: Ik introduceer steeds meer “werkwoordschoppers”

Volgens mij is het belangrijk om de voegwoorden een voor een te introduceren omdat de betekenis ook verworven moet worden en vaak even lastig blijkt te zijn. Alsof en naarmate worden bijvoorbeeld allebei met comme vertaald in het Frans. Ze zijn echter geen synoniemen in het Nederlands. En ook het verschil tussen omdat en doordat is best lastig.

 

Het geweldige van grammatica in TPRS-lessen is dat je op elk moment in de cursus terug kan komen op moeilijke grammaticale fenomenen als de woordvolgorde en dat het op dat moment helemaal niet moeilijk lijkt te zijn. Dit i.p.v. een fenomeen op een bepaald moment uitgebreid te behandelen met alle frustratie van dien en zonder het gewenste resultaat. Mijn cursisten houden van het woord “werkwoordschopper” omdat het zo beeldend is.

 

Ik gebruik deze techniek trouwens ook als ik uit een boek les moet geven. Ik las dan her en der een verhaal in om de nieuwe structuur te introduceren en bevraag het fenomeen ook als we het tegenkomen in teksten uit het boek.

 

Mijn excuses voor deze veel te lange blogbijdrage, maar als ik eenmaal op gang kom, ben ik niet meer te stoppen. Ik hoop dat jullie hier iets aan hebben en hoor graag wat jullie ervaringen zijn met grammatica in gewone en in TPRS-lessen.

 

Fijne kerstdagen en een gelukkig nieuw jaar!

Angela

TPRS, grammatica & sex

Bob Patrick’s quote: “Ik behandel dingen die met grammatica te maken hebben zoals je kleine kinderen sexuele voorlichting geeft. Zij laten je wel weten wanneer ze vragen hebben en ze laten je ook wel weten wanneer je ze voldoende verteld hebt.(…)” 

Bob’s quote: “I treat grammar concerns like teaching young children about sex.  They will let you know when they have questions, and they will let you know when you’ve told them enough. If you are watching their eyes, you will know the
instant that they have had enough. And then you stop, regardless of how fascinating it may seem to you to keep going on about datives used with certain verbs.”

Bob Patrick is docent Latijn(!) die werkt met TPR Storytelling.

Begripschecks grammatica

Sinds ik TPRS gebruik in mijn lessen (Spaans – Hotelschool/HBO), ben ik me gaan realiseren dat mijn leerlingen niet vlotter gaan spreken door het bespreken van grammaticale regels (bijv. “zelfstandige naamwoorden op –(d)ad zijn altijd vrouwelijk”). Wat wel helpt, is de grammatica bespreken in context (“zie je die –O- in ‘hablO’? Dat komt omdat het (verhaaltje) over ‘ik’ gaat”). Dat betekent dat je enkel de gegevens uit de context gebruikt om een grammaticaal fenomeen toe te lichten. In eerste instantie geef je zelf de verklaring, maar na enkele keren hetzelfde verschijnsel te hebben belicht, vraag je de klas de uitleg ervan te geven. In een zinnetje als “Gisteren ging Jan naar de markt”, wil ik graag dat mijn leerlingen gaan letten op de verleden tijd ‘ging’. Ik wijs herhaaldelijk op de combinatie van ‘gisteren’ en ‘ging’, totdat de leerlingen zelf antwoord kunnen geven op mijn vraag ‘waarom staat er ging’? (antwoord: omdat het ‘gisteren’ gebeurde).

Wat ik zelf vervolgens erg prettig vind, is de grammatica contrastief aan te bieden, dus verschillende grammaticale verschijnselen (in verschillende contexten) tegenover elkaar te zetten. Ga ik nogmaals uit van de constructie “Gisteren ging Jan naar de markt”, wordt mijn contrastvraag ‘Ging jan gisteren naar de markt, of gaat Jan vandaag naar de markt?’).

Door herhaaldelijk of-vragen te stellen rondom twee verschillende werkwoordstijden, probeer ik mijn leerlingen de context rondom deze tijden mee te geven.

Een extra manier om verschillende grammaticale verschijnselen in te slijten is deze te koppelen aan een fysieke handeling. Je kunt leerlingen bijvoorbeeld in groepjes een grammaticale vorm laten vertegenwoordigen (verschillende werkwoordstijden: een ‘vandaag’-groepje, een ‘gisteren’-groepje,  een ‘morgen’-groepje etc.).

Wanneer je nu verschillende scènes/zinnetjes uit een bestaand verhaaltje vertelt (“Jan ging naar de markt”) en deze qua grammatica regelmatig wijzigt in ‘parallelle’ versies -“Jan gaat naar de markt”/”Jan zal naar de markt gaan”-, vraag je de verschillende groepjes op te staan als ‘hun’ versie wordt genoemd. Je kunt ook een aantal leerlingen de opdracht geven naar het juiste groepje te lopen telkens wanneer jij een zin/scène opnoemt.

Ik hoop dat ook jullie dit een effectieve manier vinden om grammatica te behandelen.

Hebben jullie nog andere tips om grammatica op een laagdrempelige manier aan te bieden?

Alvast bedankt voor jullie reacties!

Groetjes,

Iris