Inspiratie voor nieuwe verhalen

Bij TPRStorytelling staat het vertellen ofwel vragen van  verhalen centraal. De te leren woorden en structuren worden immers aangeboden in de context van een verhaal. Als een verhaal aansluit bij de belevingswereld van onze cursisten en de inhoud boeiend is, kunnen wij de nieuwe woorden en structuren vaak genoeg herhalen (cirkelen) om taalverwerving te bewerkstelligen. Het verhaal – de herkenbare situatie, de grappige of interessante details – zorgen er dan voor dat de herhalingen niet gaan vervelen, waardoor de cursisten zouden kunnen afhaken.

Het is gewoon een briljant concept: simpel en efficiënt! Maar waar vind je de inspiratie voor al die verhalen? Elke week opnieuw!

Voor mijn beginnerslessen put ik vaak uit Het hele verhaal van Elizabeth Skelton (Arcos 2010). Daarin staan zo veel originele verhaaltjes met succesgarantie. Een voorbeeld is Verjaardag op blote voeten. Echt een aanrader!

Voor mijn lessen aan gevorderde cursisten ben ik meer op mijn eigen ideeën aangewezen. En die ontbreken wel eens. Maar eigenlijk worden wij omringd door verhalen, wij moeten alleen maar leren deze ook te zien.

Hier een voorbeeld: ik was uitgenodigd voor een jaren 80-feestje en wist niet wat ik aan moest doen. Niet dat ik meteen doorhad dat hier stof voor een verhaal in zat. Maar toen Kirstin, mijn docente Spaans die ook op het feestje was, in haar les over themafeestjes begon, had ik weer ideeën voor meer dan drie lessen. Denk maar aan de mogelijkheden die dit thema biedt! De meeste mensen zijn wel eens op een themafeestje geweest, het sluit dus aan bij hun belevingswereld. Met dit thema kun alle kanten op. Je cursisten kunnen de gekste thema’s bedenken. Details toevoegen is een makkie. Qua woordenschat kun je de hele kledingkast kwijt, van schoenen t/m hoofdbedekkingen. En ook als het gaat om de doelstructuren zijn de mogelijkheden haast onbeperkt. Hier een paar voorbeelden:

hij/zij trok … aan; hij/zij had … aan;
een groene jas; een zwart vest;
hij/zij wilde eruitzien als …; je moet eruitzien als …;
hij/zij was uitgenodigd voor een feestje (door) …;
hij/zij vond … niet leuk; hij/zij had een hekel aan …;
hij/zij had … nodig.

Aan de genoemde structuren kun je meteen zien dat je het thema voor verschillende niveaus kunt gebruiken, afhankelijk van de structuren die je kiest. Uiteraard kies je maar twee tot drie nieuwe structuren per verhaal.
Hier de thema’s die mijn cursisten gekozen hebben:
Je moet eruitzien als iets wat of iemand wiens naam begint met de letter ‘p’!
Je moet eruitzien als een bekende acteur of actrice/als een bekende persoon.

Ook bestaande verhalen zijn leuke inspiratiebronnen voor nieuwe verhalen. Bijvoorbeeld het gedicht Tante Trui en Tante Toosje van Annie M.G. Schmidt (zie Tante Trui en tante Toosje) of het filmpje van Koefnoen over Lady Gaga in Amsterdam. Daarin zie je hoe Lady Gaga naar de slager gaat om vlees te passen voor haar nieuwe outfit. Ten slotte draagt zij … Kijk er zelf maar naar! Koefnoen Lady Gaga

Nadat je een of meerdere verhalen gevraagd hebt waarin je de ideeën, woorden en structuren uit de tekst of film hebt verwerkt, kun je het origineel samen lezen of bekijken. Het filmpje van Koefnoen zou je ook kunnen gebruiken om te checken of de cursisten de doelstructuren verworven hebben. Het is helemaal zonder woorden. Ideaal! Je laat het zien en achteraf door de cursisten mondeling of schriftelijk navertellen.

 

Ik hoop dat ik jullie hiermee op nieuwe ideeën voor verhalen gebracht heb. Zoals ik al schreef, heb ik zelf ook inspiratie nodig. Dus als jullie leuke ideeën hebben, willen jullie die dan hier op dit forum met mij en met elkaar delen? Ik kijk ernaar uit!!!

 

Veel inspiratie!

Groetjes,
Angela

TPRS in de rolstoelles – 2 –

Zoals ik al eerder in een kort stukje vertelde geef ik les aan lichamelijk gehandicapte mensen in Zuid – Limburg. Vorig jaar heb ik daar van september tot december met mijn vrienden de Spaanse taal geoefend. En dit jaar mocht ik weer drie maanden eraan vastplakken.

Het is een groep die uitsluitend met TPRS werkt, geen huiswerk krijgt, niet kan schrijven (sommigen), maar wel kan lezen.

Dit maakt, dat ik erg alert moet blijven op mijn tempo (heel langzaam, dus!) en op de hoeveelheid nieuwe woorden die aangereikt kunnen worden. En… het verhaal moet iets met hen te maken hebben. Ook dat ligt gevoelig: niet iedereen kan lopen of goed zien. Dus ik moet de verhalen zo maken, dat iedereen zich erin herkend. En die dingen, die zij zelf niet kunnen, die laten we een olifantje en een kikker doen. En oh wee, als ik een keertje de poppetjes vergeten heb. Smoesjes zoals: het olifantje was verkouden en de kikker had hoofdpijn werken maar een keer. Maar toch hebben we dan geoefend hoe je “verkouden” en “hoofdpijn” zegt.

Wat ik jullie nog wil meegeven is, dat ik me enorm verbaas over hoeveel ze onthouden! Want eerst zeiden ze allen tegen mij: “Wij leren toch niks. Probeer maar, zul je zien…” En nu geven ze mij op alle vragen antwoorden en proberen elkaar te overtroeven.

Soms loopt eentje zomaar weg. Dan heeft iemand hem gezegd, dat hij te veel zeurt. Eerst vroeg ik me af wat ik moest doen. Maar algauw bleek, dat de nieuwsgierigheid het wint van de boosheid, want hup!, daar rolde de rolstoel weer binnen.

Ook dit is anders dan anders. Het zijn volwassen mensen, maar soms reageren zij als lastige kinderen. Dan zet ik een liedje op en deel de tekst uit en is de rust weer in de groep gekeerd.

Heeft een van jullie ervaring met dit soort lessen? En zo ja, wat voor tips geef je me? Alvast mijn dank voor het meedenken.

Lieve groet aan allen en een fijne week, Ingrid

“Werkwoordschoppers” of de woordvolgorde in de bijzin

Een van de het moeilijkst te verwerven fenomenen van het Nederlands  is de woordvolgorde. Ik ken heel veel buitenlanders die goed Nederlands spreken, maar hiermee na jaren nog steeds worstelen. Een van de redenen hiervoor is volgens mij dat dit fenomeen in hun moedertaal niet voorkomt, een andere reden is de manier waarop het in de les wordt aangeboden.

In het boek “Nederlands in gang” (Coutinho 2010) worden de voegwoorden en de daarvan afhankelijke woordvolgorde pas in hoofdstuk 18 aangeboden. Zelfs het hoogfrequente voegwoord omdat  wordt dan pas geïntroduceerd. In de dialoog van hoofdstuk 12 (elk hoofdstuk begint met een dialoog) wordt weliswaar een beginnetje gemaakt met de vraag “Weet u waar de evenementenhal is?” , maar op “Weet u waar … is” na wordt verder geen aandacht besteed aan deze lastige structuur. In hoofdstuk 18 worden naast omdat  ook nog de volgende voegwoorden aangeboden: hoewel, zodat, zodra, voordat, toen, als, nadat en terwijl. De cursisten worden dus met twee moeilijkheden tegelijkertijd geconfronteerd: de ach zo lastige woordvolgorde en – heel belangrijk – de betekenis van de verschillende voegwoorden. Pfffff… dat valt niet mee! Frustratie gegarandeerd!!!

In mijn TPRS-lessen maakt omdat van begin af aan deel uit van onze verhalen, we hebben het immers nodig als cursisten op de vraag waarom moeten antwoorden. De introductie van de voegwoorden en de woordvolgorde in de bijzin ziet er ongeveer als volgt uit.

Stap 1: Bijzinnen met omdat maken deel uit van verschillende verhalen en worden dus vaak herhaald.

Bijvoorbeeld:
“Frans gaat naar de dokter omdat hij ziek is.”
“Frans goes to the doctor because he is sick.” (Zo mogelijk staat de vertaling op het bord.)

“Gaat Frans naar de dokter omdat hij ziek is?’” -> “Ja, Frans gaat …”
“Gaat Lisa naar de dokter omdat zij ziek is?” -> “Nee, Lisa gaat niet …”
“Gaat Frans of gaat Lisa…?” -> “Frans gaat …”
“Gaat Frans naar zijn moeder omdat hij ziek is? “ -> “Nee, hij gaat niet …”

“Gaat Frans naar de dokter omdat hij blij is?” -> “Nee, omdat hij ziek is.
“Waarom gaat Frans naar de dokter?” -> “Omdat hij ziek is.”

 

Stap 2: Ik introduceer expliciet de “werkwoordschopper” omdat en zijn functie.

Bijvoorbeeld:
“Lady Gaga gaat naar de supermarkt omdat zij trek heeft.”

“Lady Gaga goes to the supermarket because she has an appetite.”

 

 

 

“Gaat Lady Gaga …?”

“Klas, omdat is een ‘werkwoordschopper’. Het werkwoord is heeft. Omdat schopt het werkwoord naar het eind van de zin.” (Zie ook: Storytelling voor het talenonderwijs, handboek TPRS, Arcos 2011, blz. 115) Meestal neem ik een voetbal mee naar de les en/of laat een plaatje van een voetballer zien. Ik omcirkel omdat en teken een voetbaalschoen en een gestippelde lijn naar het werkwoord. Daarna ga ik door met het stellen van vragen over de inhoud. Vervolgens stel ik een vraag over de structuur van de zin.

Bijvoorbeeld:
“Waarom staat omdat aan het eind van de zin?” -> “Omdat is een werkwoordschopper.”
 “Wat doet omdat?” -> “Omdat schopt heeft naar het eind van de zin.”
 “Hoe zeg je ‘omdat zij trek heeft’ zonder omdat” – “Zij heeft trek.”

De vragen over de structuur wissel ik altijd af met inhoudsvragen. Het gaat immers om het verhaal. De structuurvragen zijn alleen bedoeld om de aandacht heel even op de structuur te vestigen zodat deze beter verworven kan worden.

Stap 3, 4, 5 …: Ik introduceer steeds meer “werkwoordschoppers”

Volgens mij is het belangrijk om de voegwoorden een voor een te introduceren omdat de betekenis ook verworven moet worden en vaak even lastig blijkt te zijn. Alsof en naarmate worden bijvoorbeeld allebei met comme vertaald in het Frans. Ze zijn echter geen synoniemen in het Nederlands. En ook het verschil tussen omdat en doordat is best lastig.

 

Het geweldige van grammatica in TPRS-lessen is dat je op elk moment in de cursus terug kan komen op moeilijke grammaticale fenomenen als de woordvolgorde en dat het op dat moment helemaal niet moeilijk lijkt te zijn. Dit i.p.v. een fenomeen op een bepaald moment uitgebreid te behandelen met alle frustratie van dien en zonder het gewenste resultaat. Mijn cursisten houden van het woord “werkwoordschopper” omdat het zo beeldend is.

 

Ik gebruik deze techniek trouwens ook als ik uit een boek les moet geven. Ik las dan her en der een verhaal in om de nieuwe structuur te introduceren en bevraag het fenomeen ook als we het tegenkomen in teksten uit het boek.

 

Mijn excuses voor deze veel te lange blogbijdrage, maar als ik eenmaal op gang kom, ben ik niet meer te stoppen. Ik hoop dat jullie hier iets aan hebben en hoor graag wat jullie ervaringen zijn met grammatica in gewone en in TPRS-lessen.

 

Fijne kerstdagen en een gelukkig nieuw jaar!

Angela

In de knoop – werkt TPRS voor heterogene en vergevorderde NT2-ers?

Ik heb tot nu toe 4 keer een TPRS-les gegeven. Spannend en intensief om te doen, maar erg leuk. De eerste keer stond ik voor een beginnersgroep jongeren op een ISK. Bij beginners is de valkuil dat je te snel gaat. Wanneer je geen of weinig reactie krijgt komt dit niet omdat ze er niets aan vinden, maar omdat ze je niet volgen. De andere drie keer stond ik op de zomerschool van hetzelfde ISK, maar nu met gevorderde leerlingen. Er was sprake van flinke niveauverschillen binnen de groep: sommigen hadden echt nog moeite met de Nederlandse taal, maar de meerderheid was al zo ver dat ze in het Nederlands konden mee-filosoferen over respect.

 In de TPRS-lessen probeerde ik een middenweg te vinden. Ingewikkelde doelstructuren maar simpel woordgebruik, voor ieder wat wils. Dit bleek maar deels te werken. De leerlingen met een lager niveau hadden toch moeite me te volgen, de beste leerlingen vonden het grappig wat ik deed omdat we samen de mooiste verhalen maakten, maar saai wanneer ik uitgebreid zinnen cirkelde. Dus kreeg ik soms weer weinig reactie. Mede door mijn gebrek aan ervaring wist ik niet goed hoe dit op te lossen.

 Dus mijn vragen aan collega-TPRS’ers:

·      Kan TPRS überhaupt werken voor een heterogene klas (wat betreft taalniveau)?

·      Ik lees in de handboeken dat TPRS ook voor (ver)gevorderde niveaus geschikt is. Het lijkt me dat je dan ingewikkelde doelstructuren gebruikt, en langere zinnen, wat betekent dat je cirkelmomenten heel uitgebreid en langgerekt worden. Hoe lossen jullie dit op? Hoe doe je TPRS met (ver)gevorderde groepen?

Ik ben benieuwd naar jullie ervaringen! Dank alvast voor het delen en meedenken.  

Cirkelen 2.0

     

De kunst van het cirkelen, één van de basisvaardigheid binnen TPR Storytelling,  is het zodanig flexibel omspringen met de verschillende cirkelvragen en zinsdelen dat het de leerlingen niet opvalt dat je keer op keer vragen stelt waarop het antwoord besloten ligt in de doelconstructie; deze zijn immers vooral bezig met de betekenis van al die verschillende vragen.

Juist het constant belichten van die verschillende zinsdelen uit de doelconstructie kan echter wellicht op den duur saai worden, zowel voor jezelf als voor je leerlingen.

De volgende tips kunnen je misschien helpen het cirkelen een grotere dynamiek te geven:

1)      Stel niet alleen inhoudsvragen, maar vraag ook eens naar de betekenis van een grammaticaal element (“* Waarom staat hier ‘was’ en niet ‘waren’? * Omdat het over Julia gaat, en niet over Julia en Joris.”);

 

2)      Focus in je vraagstelling niet alleen op de hele groep, maar spring regelmatig naar  een individuele leerling (en weer terug).

 

3)      Stimuleer de leerlingen om met hele zinnen te antwoorden door de vraag niet toe te spitsen op één zinsdeel, maar op meerdere zinsdelen tegelijk (“* Zit Victor om 10 uur ’s avonds nog te werken of zit hij al om half negen voetbal te kijken? * Victor zit om 10 uur ’s avonds nog te werken.”);

 

4)      Ook kun je kleinere groepjes  in je klas tegen elkaar ‘uitspelen’, bijvoorbeeld jongens vs. meisjes, linker- vs. rechterkant van de klas etc. etc . Dit werkt vooral goed wanneer je vist naar nieuwe details om het verhaal/de scene verder te brengen:  “* (docent) Sander gaat naar een concert. Meisjes, naar welk concert gaat Sander? *(meisjes): naar een concert van Justin Bieber! *(docent) Jongens, gaat Sander naar een concert van Justin Bieber..???? * (jongens) Nee, naar een concert van Normaal!”, etc. etc.

Ik hoop dat jullie deze tips nuttig vinden! Hebben jullie misschien nog andere cirkeltechnieken die goed werken in jullie klas? 

Alvast bedankt voor jullie reactie en groetjes,

Iris

Het belang van Focus bij TPRS

Deze zomer ging ik op cursus. Een mooie  aanbieding via LinkedIn van een Talenschool in Madrid. Geen TPRS-cursus, maar ik dacht, ach, een week lang mezelf onderdompelen in de Spaanse taal is ook veel waard. En dat was het ook.

Helaas viel de cursus tegen. Heel theoretisch, urenlang naar een spreker luisteren, weinig inspirerende en/of originele activiteiten.

Halverwege de week kreeg ik een kwartier de tijd om een mini-TPRS-les Nederlands aan Spanjaarden te geven. Dat was heel leuk. Daaruit bleek, dat TPRS zich goed leent voor improvisatie, maar toch staat of valt bij een gedegen voorbereiding. Oei, Nederlands bleek toch iets ingewikkelder om te onderwijzen dan Spaans.

Wat ik hiervan heb geleerd is het volgende; net als al het andere in het leven, is het onder de knie krijgen van TPRS een vaardigheid die focus behoeft, mijn volledige aandacht en geen afleiding.

En ja, aantrekkelijke aanbiedingen voor een weekje Madrid moet ik voortaan laten schieten.

Tenzij daar de allereerste TPRS-conferentie in Europa plaatsvindt!

Hoe houden jullie de focus op TPRS en in jullie lessen?

Daphne Thijsse

Een SPECIALE groep

Kort geleden kreeg ik een telefoontje met de vraag of ik lichamelijk gehandicapte mensen lessen Spaans wil geven. Ja, natuurlijk! Ik kreeg contact met de organisator. We kwamen tot een formule, die voor beiden aantrekkelijk was.

Gisteren eerste les.
Ik was gewaarschuwd: lichamelijke handicap betekent vaak ook geestelijk minder snel, minder actief. Die mensen hebben al heel veel meegemaakt.
Ik kom de klas in met mijn beste humeur. Allemaal rolstoelen en loopstokken. Mensen die me verwachtingsvol aankijken. Oké. Dat wordt dus een graadje langzamer dan ik eerst had gedacht.

We beginnen te oefenen met zeer eenvoudige structuren. We stellen ons aan elkaar voor. We vragen elkaar hoe het gaat. Bij ‘goed’ steken we een duim op, bij heel goed twee. Bij “mwah” schudden we wat met de schouders en bij slecht gaan de mondhoeken en de duim omlaag.
Het kost nog even tijd om ze zo ver te krijgen. Ze zeggen bij voorbeeld “slecht” maar hebben een brede lach op hun gezicht. “Is dat overtuigend?” vraagt juf. “Geloven we hem/haar dat het slecht gaat?” “Neeeeee…”

We zingen samen een lied over ons thema: Hoe heet jij, hoe heet u? Ze willen het 2 keer zingen. Na drie kwartier gaan ze allemaal pauzeren.

Dan gaan we verder met een verhaal. Eentje wordt uitgeroepen tot beroemde Operazanger en een meisje dat ineengedoken op haar rolstoel zit wordt een sympathieke secretaresse, die aan het eind van ons verhaal zelf bedenkt, dat zij de teksten voor de operazanger typt.

De les is om en de begeleider komt binnen met bezorgd gezicht: “Hoe ging het? Wij zijn hier allemaal mensen en kunnen de dingen tegen elkaar zeggen…”
Antwoord: “Tot voor een minuut ging het nog uitstekend! Nu jij weer binnenkomt…” Als dat geen compliment is?
 
Heeft een van jullie ervaring met deze doelgroep? En zo ja, wat raden jullie me dan aan? Tips?

Alvast mijn hartelijke dank en een fijn weekend, Ingrid Behage

Personalisaties en vakjargon

Tijdens mijn Spaanse lessen op de Hotelschool oefen ik het ‘huis-tuin-en-keuken’ Spaans graag d.m.v. persoonlijke gesprekjes met mijn studenten. Op die manier bepalen zij voor een groot deel de onderwerpen die aan bod komen, terwijl ik via het stellen van allerlei cirkelvragen ervoor zorg dat de relevante grammaticale structuren voldoende aan bod komen.

Ook het inoefenen van vakjargon en standaard hotellerie-structuren vormt echter een belangrijk onderdeel van de les. Maar ja, hoe maak je iets wat standaard is nu interessant en persoonlijk?

Voor mij heeft personalisatie in TPRS altijd betekend ‘cirkelvragen stellen rondom de interesses/voorkeuren/ervaringen van je studenten’, maar nadat ik deze zomer naar de TPRS-Conferentie in Las Vegas ben gegaan, is het me meer en meer duidelijk geworden dat een eenduidige interpretatie van ‘persoonlijk’ niet bestaat. Voor de ene docent is het bepalen dat ‘student X een fan is van Y’ persoonlijk, omdat je de les opbouwt rondom deze student (ook al is hij/zij in het echte leven misschien helemaal geen fan van Y), terwijl de ander een kort klassengesprekje aan het begin van de les over het thema van die dag, om het ijs te breken en de groep een bepaalde focus bij te brengen, al voldoende vindt.

Dit inzicht gaf me nieuwe inspiratie om verder te gaan experimenteren: vorige week ben ik weer begonnen met lesgeven, en heb ik mijn studenten als opdracht gegeven hun favoriete (droom-)restaurant & hotel, en favoriete persoon te tekenen, met daarbij een paar steekwoorden in het Spaans. Deze tekeningen heb ik voor mezelf gekopieerd, zodat ik ze het hele blok (= bij ons acht weken) bij de hand heb. Vervolgens heb ik samen met de studenten een setting gecreëerd waarin droomhotel X en favoriete persoon Y (= voorkeuren van willekeurige studenten) de hoofdrol spelen. Eén van mijn studenten was de receptionist. Toen heb ik samen met hen de checking-in procedure via het stellen van cirkelvragen doorgenomen (“Zegt Priscilla (=student/receptioniste) tegen persoon Y Goedemiddag, meneer/mevrouw Y, welkom in hotel X. Waar kan ik u mee van dienst zijn? of zegt ze Goedemiddag, mag ik je paspoort” etc. etc.).

De studenten keken in het begin nogal op van deze ‘kinderachtige’ werkwijze, maar vonden het gaandeweg wel grappig, had ik het idee. Voor mij was het echter hard werken, omdat ik merkte dat mijn studenten gehinderd werden door hun algemene kennis van de check-in procedure (“Maar je zegt als receptionist toch niet alleen de naam van het hotel, maar ook je eigen naam??” etc.). Hierdoor luisterden ze niet goed naar hoe ze deze standaard stappen in het Spaans moeten zeggen. Dat had ik niet voorzien..!

Nou ja, ik probeer dit de komende weken bij te stellen en dan hoop ik dat ik wat handiger wordt in deze werkwijze. Werken jullie met personalisaties in je lessen? Zo ja, hoe doen jullie dat dan? Hebben jullie nog tips and tricks voor mij soms :-) ?

Alvast bedankt voor jullie reacties, enneh…ik houd jullie op de hoogte van mijn (hopelijk :-) ) vorderingen!

Groetjes, Iris

TPRS voor NT2 : Hoe en wat?

Netwerkbijeenkomst TPRS 16-06-2012; foto door Christine van Hoorn Ik heb pas kort geleden kennis gemaakt met TPRS, en wil er zo snel mogelijk mee van start gaan. Ik geef les op een ISK in Amsterdam (NT2 aan jongeren die net in Nederland zijn en worden klaargestoomd voor het voortgezet onderwijs). Pubers zijn eerlijke doelgroep : als je met een werk- op spelvorm komt die ze leuk vinden is het enthousiasme bijna tastbaar; geef je ze iets saais te doen, dan hangen ze achterover in hun stoel te gapen.

Ik probeer in mijn lessen steeds te werken met stof die aansluit op hun belevingswereld. Nederlandstalige R&B en hip hop, mooie internettools, spelletjes, samenwerkingsopdrachten. Soms maken we samen rare verhalen om schooltaalwoorden (woorden en woordcombinaties die later in de reguliere lesboeken terugkomen) te oefenen. Hoe maffer het verhaal en hoe meer details vanuit de klas, hoe leuker de leerlingen het vinden.

De leerlingen leren snel, houden ervan betrokken te worden en struikelen bij spreekvaardigheid over bijvoorbeeld zinsopbouw. Ik geloof dat in TPRS van alles samenkomt wat ik mijn leerlingen wil leren. Ik heb daarom een training gevolgd (bedankt Alike van Taalleermethoden.nl!) en ga gewoon maar beginnen, en wel komende maandag.

Omdat we als NT2-ers TPRS-pioniers zijn (er is bijvoorbeeld nog geen lesmateriaal) breek ik m’n hoofd over hoe ik het ga aanpakken. Het begin is makkelijk: ik verzin een verhaaltje van drie structuren, bereid de circelvragen voor, lees nog wat van Ben Slavic en ga aan de slag.

Netwerkbijeenkomst TPRS 16-06-2012; foto door Christine van HoornMaar hoe maak ik hier straks een gestructureerd TPRS-aanbod van? Welke doelstructuren ga ik behandelen, wat is het meest noodzakelijk, welke verhaaltjes bied ik aan : wanneer is het volledig en genoeg?

Graag ga ik met andere TPRS-docenten NT2 in gesprek die al bezig zijn, materiaal hebben ontwikkeld en ook met deze vragen worstelen / al antwoorden hebben. Met wie kan ik hier verder over praten?

Veel dank!

Sofie Blaisse : sofieblaisse@gmail.com

Foto’s copyright Christine van Hoorn

Ik ga naar de les en neem mee: een koffer, een T-shirt, een spijkerbroek, een telefoon …

Laatst zei een cursiste na afloop van een les tegen me: “Thanks for making the lesson more visual.” Ik was helemaal niet blij met deze zin omdat hij als kritiek voelde. Voor mijn gevoel zorg ik altijd voor visuele ondersteuning van het verhaal dat ik vertel: nieuwe woorden en structuren staan altijd op het bord en vaak maak ik tekeningen of neem plaatjes mee. Op mijn vraag wat ze precies bedoelde antwoordde zij: “I appreciate the use of props (rekwisieten). It helped me a lot.”

Op een woensdagmiddag was ik weer eens bezig met het voorbereiden van een TPRS-les. Ik was van plan om het verhaal ‘Zoveel te doen’ uit ‘Het hele verhaal’ te vertellen dat gaat over een man die op reis wil gaan en daarvoor nog een aantal dingen moet doen: hij moet zijn koffer inpakken, de was doen en een spijkerbroek kopen. Toen ik mijn eigen tas inpakte, dacht ik bij mezelf: eigenlijk zou het leuk zijn om een echte koffer mee te nemen, een aantal dingen die je kunt inpakken en nog meer voorwerpen die in het verhaal voorkomen. Tergelijkertijd voelde ik weerstand bij me opkomen: is dat nou echt nodig, moet ik voor twee cursisten zoveel spullen meezeulen. Ik kan net zo goed plaatjes gebruiken of een en ander tekenen. Uiteindelijk heb ik ervoor gekozen om toch maar alles mee te zeulen. En het was weer een succes. De rekwisieten maakten het vertellen en uitbeelden van het verhaal veel makkelijker en leuker, want levensechter. De cursisten konden een echte koffer inpakken, zien waarom een spijkerbroek spijkerbroek heet en begrepen de zin ‘Er is telefoon voor je’ meteen toen ik de hoorn van mijn roze neptelefoon aan een van mijn cursisten gaf.

Behalve dat de rekwisieten het verhaal opleuken, zorgen ze volgens mij ook voor een groter leereffect omdat de doelstructuren en -woorden niet alleen gehoord (auditief) en gelezen (visueel), maar ook uitgebeeld (kinesthetisch, visueel) worden.

Waarom ik het dan niet altijd doe? Omdat ik op één dag vaak op drie verschillende locaties lesgeef. Mijn droom: mijn eigen schooltje waar ik alles kan opslaan net zo als Kirstin, mijn docente Spaans en grote TPRS-voorbeeld.

Wat doen jullie om jullie verhalen leven in te blazen? Gebruiken jullie rekwisieten, plaatjes, pantomime? Hoe reageren jullie cursisten daarop? Wat werkt goed en wat minder? Graag lees ik over jullie ervaringen!

Groetjes uit de Morvan,

Angela