Maar ‘waar’ betekent toch ‘where’?

Er was een les die ik nooit zal vergeten: een Amerikaanse cursist werd kwaad toen ik hem uitlegde dat waar in combinatie met een voorzetsel  what of  which betekent en niet where.  – Dat was nog voordat ik lesgaf met TPRS. – Hij vervloekte op dat moment de Nederlandse taal en zijn weerstand groeide immens. Ik begreep hem maar al te goed. Het is zo anders dan in het Engels en dus wennen!

Een andere cursiste die bij mij op les kwam toen ze al ruim op niveau B1 zat, zei verontwaardigd: Ik snap niet waarom er niet van begin af aan expliciet aan bod komt in de lesboeken. Het betekent immers it en dat is een van de belangrijkste woorden in een taal.

En ik geef haar groot gelijk. Het Nederlands stikt van vaste combinaties met een voorzetsel die maken dat de structuur van een zin helemaal verandert. En dat betreft ook heel veel combinaties van hoogfrequente woorden. Houden van, kijken naar en zin hebben in zijn hier voorbeelden van. Op het moment dat je de ‘wat-vraag’ wilt stellen, heb je het vraagwoord waar nodig.

Waar houd je van?
Waar kijk je naar?
Waar heb je zin in?

Sinds ik Nederlands geef, worstel ik met de vraag hoe ik er, daar en waar in de betekenis van it, that  en what het beste kan aanbieden en wanneer ik daarmee moet beginnen. Sinds ik TPRS gebruik, kom ik steeds dichter bij het antwoord: in ieder geval zo vroeg mogelijk. Deze woorden vermijden is onnatuurlijk. Uiteraard verwacht ik niet dat mijn cursisten deze en de daarmee gepaard gaande structuren meteen actief kunnen gebruiken, maar ik geef ze zo de kans om eraan te wennen en de betekenis van deze woorden te begrijpen als ze deze in een gesprek of in een tekst tegenkomen.

In mijn lessen begint het met de vraagwoorden aan de muur. Vanaf de eerste les staat daar waar naast wat met de vertaling what eronder. Als ik een zin als ‘Tom keek naar een roze Porsche.’ bevraag en dus op een gegeven moment zeg ‘Waar keek Tom naar?’ wijs ik tegelijkertijd naar het vraagwoord met zijn vertaling aan de muur. Als mijn cursisten de vraag niet meteen begrijpen of op het moment dat ik de vraag voor de tweede keer stel ,las ik een begripscheck in: “Wat betekent waarnaar? Antwoord: “Whatat.” En weer iets later volgt een korte grammatica-uitleg: ‘De naar maakt dat wat verandert in waar.’ Uiteraard in het Engels als het beginners zijn. Afhankelijk van de groep kan het gebeuren dat ze meteen willen weten “Why?” En dan begin ik met de korte grammatica-uitleg. Als cursisten dan nog meer willen weten, rem ik ze af. We zijn immers bezig met een verhaal! In de loop van de cursus komen ze de ‘waar-vraag’ die wat betekent steeds vaker tegen:

Waar praatten ze over?
Waar luisterde hij naar?
Waarmee ging zij naar Hawaï, met de fiets of met het vliegtuig?

En ze beginnen de ‘waar-vraag’ langzaamaan normaal te vinden. Bovendien herkennen en begrijpen ze deze steeds sneller als ze lezen.

Wil ik dat mijn cursisten de ‘waar-vraag’ ook zelf gaan gebruiken, dan verwerk ik deze in de directe rede in een verhaal: ‘Sarah vroeg aan Tom: “Waar kijk je naar?”’ Op die manier kan ik deze vraag bevragen (cirkelen) en er ook voor zorgen dat de vraag af en toe deel uitmaakt van het antwoord dat de cursisten moeten geven (“Wat vroeg Sarah aan Tom?” Antwoord: “Waar kijk je naar?”)

Jullie kunnen je misschien al voorstellen dat het een stuk makkelijker wordt om er en daar in de betekenis van  it en that te introduceren als je met waar begonnen bent. Maar daar ga ik het een andere keer over hebben.

Nu zou ik graag van jullie willen weten hoe jullie deze woorden aanbieden. Het is namelijk niet zo dat ik het gevoel heb dat ik er al helemaal ben. Zeker als het gaat om er en daar blijf ik het moeilijk vinden. Mijn cursisten begrijpen deze woorden wel, maar gebruiken ze zelden (goed). Ook zou ik het interessant vinden om van jullie te horen wat volgens jullie frequente vaste combinaties zijn die de moeite zijn om vaak te herhalen in de les. Zou het niet leuk zijn om met z’n allen een lijst samen te stellen?

Ik ben benieuwd naar jullie ideeën, tips, good practises en frequente vaste combinaties!

Hartelijke groet, Angela

 

 

TPRS-feuilletonverhaal

Annemieke Woudt, één van de cursisten van de Deeltijdopleiding tot TPRS-docent, heeft een geweldige manier om gevoelige onderwerpen toch te kunnen behandelen. Ze geeft les aan inburgeraars, die vaak vreselijke dingen hebben meegemaakt. Onderwerpen die op het eerste gezicht niet bijzonder gevoelig zijn, zoals familie, kunnen voor deze mensen zeer pijnlijk zijn. Zo'n onderwerp is dus niet erg geschikt voor PQA, en ook niet om een bizar verhaaltje mee te bouwen ("bizar" is bij Nt2-lessen toch al een lastig fenomeen).

Daarom is Annemieke begonnen met een verhaal rondom de dagelijkse belevenissen van Bram (in de ene groep) en Amina (in de andere groep). Deze verhalen zijn uitgegroeid tot feuilleton – iedere week komt er een aflevering bij volgens het thema dat die week aan de orde is. Zo hebben de cursisten van groep 1 de familie van de hoofdpersoon, Bram, erbij bedacht, compleet met leeftijden en beroepen, en is Bram en naar de Sinterklaasintocht. Zijn zusje heeft bovendien Sint Maarten gelopen. In de tweede groep bleek Amina met een gebroken voet toch in staat om naar de dokter te lopen, en heeft ze haar verzekeringspapieren moeten invullen.

De cursisten vragen steeds: "wanneer komt Bram/Amina weer?" en verzinnen in de pauzes zelf nieuwe avonturen voor hen. Voor Annemieke is dit verhaal ideaal om allerlei PQA-gesprekken aan te koppelen. Zo bleek bij een gesprek over beroepen dat één van de cursisten verpleegster is. Prompt werd er geroepen: "net als Sarah!" – de zus van Bram. Zo zie je dat de personages uit het feuilleton, net als bij soapseries als GTST, voor de trouwe volgers ook een soort familie wordt, maar dan één waar het altijd prettig vertoeven is.

Wie probeert dit idee ook een keer uit? Laat ons weten hoe het uitpakt!

Woordkompas : (gratis) vocabulaire goudmijn voor NT2 docenten en cursisten

Wat ben ik als docente Frans jaloers op de NT2 docenten! Want zij kunnen hun cursisten gebruik laten maken van het Woordkompas. In het Woordkompas vind je veel meer dan in een gewoon woordenboek: je vindt er de Nederlandse taal zoals deze dagelijks gebruikt wordt.

Siel van der Ree heeft het Woordkompas ontwikkeld met (wijlen) Puck Tazelaar en enkele andere dames en hij heeft het Woordkompas gelukkig online GRATIS beschikbaar gesteld. In april heeft hij mij daar al een link van gestuurd en ik moet tot mijn grote schaamte en schande bekennen dat ik die al die tijd heb laten liggen… Daarom nu snel de link naar de homepage van het  WOORDKOMPAS VOOR NEDERLANDS ALS VREEMDE EN ALS TWEEDE TAAL.

Als je naar de database zelf wilt, dan dien je de link hierachter te volgen, naar de pagina ‘De oorspronkelijke lemma’s‘. Door op een letter te klikken kom je op de pagina met alle lemma's van die betreffende letter.

Hieronder citeer ik de tekst van de homepage:

"Halfgevorderde & gevorderde NT2-cursisten èn  collega's Nederlands in het buitenland blijven standaardfouten maken, waar ze niks aan kunnen doen! Ze schrijven bijvoorbeeld ‘een erge griep krijgen’ i.p.v. ‘een zware griep oplopen’ en ‘een koude krijgen’ i.p.v. ‘kou vatten’: ze kunnen onmogelijk 'bedenken' en nergens opzoeken, hoe het wel normaal klinkt. Dit wreekt zich natuurlijk het duidelijkst bij schrijven: de voorbeelden hierboven komen ook uit e-mails van collega's in midden Europa.

Om dit soort problemen te helpen oplossen hebben we, al jaren geleden, de z.g. Woordkompassen ontwikkeld.

Deze site, met een lange geschiedenis, is een voorlopige opzet: we willen een bruikbare website maken waarin je direct alles vindt wat we te bieden hebben en dat is:

  • tekst ter uitleg
  • verwantschappen
  • vaste verbindingen

Vreemde taalleerders vragen immers om …
1) eenvoudige maar veelzeggende voorbeelden
2) met een precisering van de betekenis via (lexicale) verwanten
3) en een overzicht van de gebruiksmogelijkheden.

Je kunt het woordkompas ook gebruiken als leerwoordenboek, d.w.z. door de bestudering van lemma’s de woorden beter onthouden. Onderzoek aan het brein heeft de realiteit hiervan inmiddels bevestigd.

Deze voorlopige opzet houdt in, dat we ons bestaand materiaal ter beschikking stellen in pdf-vorm. Die moet je dus eerst downloaden om het makkelijk te hanteren.

De definitieve vormgeving houdt meer in : Een volwaardig Wiki-woordkompas waarbij je niet alleen direct alles kunt vinden bij een woord (en je ook de weg leert naar bijvoorbeeld verwante lemma’s en links naar woordenboeken met uitdrukkingen), maar ook zelf ideeën kunt toevoegen. Op die manier blijft het actueel.

Voor dit project zijn we  op zoek naar mensen en middelen."

Tot zover het citaat van de homepage van de website van het Woordkompas. Zoals je ziet zoekt Siel van der Ree mensen en middelen; neem contact met hem op als je mogelijkheden hebt of weet! Je kunt hem bereiken via: ssalto@me.com

Het zijn niet 'woordjes' en 'grammaticale structuren', maar woordjes en taalflarden die de basiseenheden voor taal leren vormen. Dit verklaart ook waarom native speakers zo weinig en vreemde taal-leerders zoveel moeite hebben met z.g. welgevormde zinnen, zinnen dus die ook normaal klìnken.  Lees hier meer over de achtergronden van het Woordkompas.

In het verleden hebben Siel en ik een oproep geplaatst in het Levende Talen Magazine om te vragen of collega's van de andere talen ook een Woordkompas zouden willen hebben, maar daar hebben we amper respons op gekregen, dus we hebben "nee" geconcludeerd. Wat vinden jullie, collega's MVT, zouden jullie het fijn vinden om een Woordkompas tot je beschikking te hebben?

Allemaal een heel fijn nieuw schooljaar gewenst en hartelijke groeten van Alike

#TPRS een “langman” verhaal

Wanneer ik mijn fiets vastzet, voor het gebouw van Hogeschool Domstad, vraag ik me even af wat ik hier doe. Zaterdagochtend, negen uur, een zonnige zaterdag nog wel. Ik had met een kop koffie op het balkon kunnen zitten, of ergens op een terras. Vriendin Annemarie en ik spreken elkaar moed in en verheugen ons vast op de lunch ergens in de stad.

Ik maak mijn fiets vast voor een school, om op mijn vrije dag naar een TPRS bijeenkomst te gaan.

TPRS staat voor: Teaching Proficiency through Reading and Storytelling. De eerste keer dat ik hiervan hoorde, was een aantal jaar geleden op een conferentie van de BVNT2maar verder dan deze kennismaking ben ik nooit gekomen, ik heb er nog nooit mee gewerkt.

We worden ontvangen met koffie (goddank!) en thee. Als iedereen binnen is en zit, worden we te woord gestaan door Alike Last en Iris Maas, en we krijgen de kans met elkaar kennis te maken. De algemeenheden vliegen over en weer. Een tijdsignaal gaat af, we stoppen met onze kennismaking en gaan weer zitten, als brave leerlingen. Dat zijn we het komende half uur ook.

Iris Maas geeft ons les in het Mandarijn. Op het scherm verschijnen ingewikkelde woorden als nuhai. We gaan namelijk een verhaal maken, over een Nuhai, en een nuhai is een meisje zo leren we al snel. “Is Annemarie ook een meisje?” Vraagt de docent in het Mandarijn. “Shi!!!” zeggen wij als klas braaf, natuurlijk is Annemarie ook een nuhai! En als snel zijn we bezig om een verhaal te maken in het mandarijn, een erg “langman” (romantisch) verhaal en gelukkig loopt het nog goed af ook! Binnen een paar minuten neemt mijn woordenschat toe. Ik zit er inmiddels helemaal in en schreeuw mee dat Pieter ook hartstikke “langman” is, maar dat klopte niet “bu” (nee) Pieter bleek namelijk juist heel erg “ku” (cool).

Bij TPRS begin je met een eenduidig verhaal. Een zin, ofwel een statement, bijvoorbeeld “Kees eet een appel”. Dat statement roept een reactie op, “ahhh”. Daarna begin je als docent vragen te stellen, de zogeheten cirkelvragen. “Eet Kees een banaan?” – nee, Kees eet een appel! “Eet Yasmine een appel?” – nee, Kees eet een appel!
Na de gesloten vragen kan je over gaan op de open vragen en zo het verhaal een wending geven. De leerlingen hebben zo input in het verhaal. “Wat is er op de appel?” – een rups! “Er zit een rups op de appel! Wat doet de rups?” – hij eet!

In kleine groepjes gaan we oefenen, een aantal NT2 docenten -begeleid door een TPRS-coach- zitten bij elkaar. Ik speel een leerling. Ik snap de docent niet altijd, want ik zit nog amper op A1. Zelfs als je speelt, voel je snel welke vragen te moeilijk zijn en op welke vragen je graag een antwoord geeft! Na even oefenen begint mijn personage behoorlijk recalcitrant te worden, tja, dat heb je met die pubers…

Ik krijg zin het meteen in de praktijk te brengen. Wat goed dat ik deze ochtend niet met een kop koffie op mijn balkon ben gaan zitten! Omdat we zo goed ons best hebben gedaan (of gewoon omdat we er zijn) krijgen we ook nog een certificaat.

Ik haal mijn fiets weer van het slot. Annemarie en ik besluiten dat we blij zijn dat we gegaan zijn! Al hebben we inmiddels wel erg veel zin in lunch.

Bovenstaande verhaal is geschreven door Barbara Klomp op haar blog "Taal en educatie" (met als motto: "De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld." Ludwig Wittgenstein) en is hier te vinden: http://taaleducatie.wordpress.com/2013/06/12/tprs-een-langman-verhaal/

De foto van de fietsen komt van het blog: http://annagroot.punt.nl/content/2012/01/praktisch-fietsparkeren

Een teken van taalverwerving?!

Laatst merkte ik op dat een cursiste van mij bij het navertellen van een samen gebouwd verhaaltje een paar keer stokte, nadacht en zich toen zelf verbeterde. Datzelfde was me ook al opgevallen toen ze aan het begin van de les over haar weekend verteld had.

Het is een fenomeen dat ik tot dan toe eigenlijk alleen bij cursisten had gezien die les krijgen met een methode waarbij vaak expliciet aandacht wordt besteed aan grammatica. Bij hen staat de monitor (het duiveltje op de schouder dat elke taaluiting checkt, het liefst nog voordat deze uitgesproken wordt) continu aan, wat zowel voor de spreker als voor de toehoorder vermoeiend kan zijn. 

Ik was nieuwsgierig wat er op dat moment in het hoofd van mijn cursiste gebeurde en misschien ook wel een beetje bezorgd. Misschien was ze zich, na twee jaar TPRS-lessen, nu toch op eigen houtje gaan verdiepen in de grammaticaregels, hoewel haar afkeer tegen deze regels het voor mij juist zo makkelijk had gemaakt me niet tot uitgebreide grammatica-uitleg te laten verleiden. Of had ik het de laatste tijd toch overdreven met mijn grammatica pop-ups?

Haar antwoord was fascinerend. Zij zei iets in de trant van: “Ik weet het ook niet precies. Ik zeg iets en als ik het heb gezegd, dan hoor ik dat het niet juist klinkt en dan probeer ik het te verbeteren.”

Als dit geen teken is van echte taalverwerving! Als een moedertaalspreker een buitenlander zijn taal hoort spreken, dan hoort hij als deze een fout maakt en kan hij de fout in de meeste gevallen ook verbeteren, maar weet bijna nooit waarom het fout is. Hij kent de grammaticaregel niet omdat hij deze gewoonweg niet nodig heeft om correct te spreken. Evenmin hoeven tweedetaalleerders in staat te zijn hun taaluitingen te analyseren om de taal goed te spreken (“Hm, als ik de zin met het woordje “dan” begin, dan moet ik de inversieregel toepassen, omdat de persoonsvorm altijd op de tweede plaats moet staan in een hoofdzin …”). Volgens mij is het doel van taallessen juist dat de leerders de doeltaal in het ideale geval spontaan correct gaan gebruiken en de maatstaf/het referentiekader voor correctheid zou, net als bij mijn cursiste, moeten zijn dat ze horen of iets goed klinkt of niet.

Dit voorbeeld is voor mij weer eens een teken dat TPRStorytelling echt tot taalverwerving leidt.

 

Ik ben heel benieuwd of jullie in jullie lessen iets vergelijkbaars hebben meegemaakt. Zien jullie dat lesgeven met TPRS zijn vruchten afwerpt en zo ja, waaraan zien jullie dat? En wat is het verschil met lesmethoden die jullie voorheen hebben gebruikt of ernaast gebruiken?

Hartelijke groeten,

Angela

TPRS en TPR & de klassieke talen – écht wel!

TPRS wordt niet alleen gebruikt door taaldocenten moderne vreemde talen, NT2 en gebarentaal, maar ook door docenten klassieke talen! In Amerika loopt er al een heel groepje van rond. Maar we hebben sinds een aantal jaren ook op eigen bodem een jonge enthousiaste docent die niet alleen TPRS maar ook TPR en andere methoden gebruikt in zijn lessen Latijn en Grieks! Graag stel ik jullie voor aan Casper Porton. Hij is docent klassieke talen op de Kees Boekeschool in Bilthoven, ook wel De Werkplaats kindergemeenschap genoemd. Hij heeft daarnaast zijn eigen taalbureau in Hilversum waar hij lessen klassieke talen en cultuur geeft aan volwassenen en bijlessen aan jongeren én hij werkt als dansleraar Latin, Ballroom, Salsa en Disco bij Danscentrum Cornelissen  in Utrecht!

Deze swingende docent klassieke talen zal hier ook regelmatig zijn verhaal doen als nieuwe TPRS blogschrijver, waarvoor we hem heel dankbaar zijn! Casper heeft ook een eigen blog, Classiculus. Zijn laatste blogbijdrage gaat over de Griekse voorzetsels en daar heeft hij een prachtig tekeningetje bij van muizen, kaas en een kat, maar ook een geweldige tekening van een leeuw en een man. Verder geeft hij er uitleg hoe je zo'n voorzetsel-les zou kunnen doen. Al eerder heeft Casper op zijn blog geschreven over de Latijnse voorzetsels. Daar legt hij uit dat hij begint met TPR; dat geeft hij bij de Griekse voorzetsels niet expliciet aan, maar ook hier kun je uiteraard beginnen met TPR. Bij de plaatjes zou ik ook nog vragen stellen als : Is/zit de kat achter de kaas? Juist, de kat is/zit achter de kaas! Zit de kat voor de kaas? Prima, de kat zit achter de kaas, de kat zit niet voor de kaas. Zijn de muizen achter de kaas? Juist, de muizen zijn niet achter de kaas, de muizen zijn voor en in de kaas. De kat zit achter de kaas. Wie zitten er voor en in de kaas? Ja, de muizen zitten voor en in de kaas! Ben jij achter de kaas? Inderdaad, jij bent in de klas en jij bent niet achter de kaas. Wie zit achter de kaas? Klopt, de kat zit achter de kaas. Eerst deze vragen alvorens over te gaan tot de "waar" vragen. Dus via cirkelvragen eerst samen het vocabulaire verder opbouwen, nadat er met TPR al een start is gemaakt. Voor Latijn heeft Casper ook nog andere les voorbeelden, met een plaatje erbij van een hamster. Die staan op deze bladzijde van zijn blog. Je zou ze (diagnostisch) kunnen toetsen met een tekendictee. 

Voor degenen voor wie TPR een onbekende term is: de afkorting staat voor Total Physical Response = een taal letterlijk al doende en fysiek leren. TPR is in de zeventiger jaren van de vorige eeuw ontwikkeld door James Asher en er is veel wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. In Nederland en België is (en wordt) het veel gebruikt bij NT2, maar bij de moderne vreemde talen wordt het amper ingezet, hoogstens eens als onderdeel van een lesje over bijvoorbeeld, jawel, de voorzetsels of het lichaam of de dagelijkse routine. Maar daarmee doe je TPR écht tekort! Sinds ik per januari schrijf op mijn blog over de TPRS technieken die Ben Slavic beschrijft in zijn boek TPRS in a Year! ben ik weer meer met TPR gaan doen in de les. Niet heel lang steeds, maar het is als brainbreak en als onderdeel waarbij  de lichamelijk-kinesthetische intelligentie aan wordt gesproken een prettig onderdeel van de les, waarbij iedereen even lekker beweegt en we zo samen lol hebben én er tevens goede taalverwerving op de lange termijn plaats vindt.

TPRS is ontwikkeld door Blaine Ray vanuit TPR, nadat hij er een tijd succesvol mee gewerkt had, maar ook tegen de grenzen van TPR op was gelopen.

Ik vind dat TPR en TPRS elkaar prachtig aanvullen! In het Nederlandstalige handboek Storytelling voor het talenonderwijs – handboek TPRS voor docenten MVT en NT2 van Blaine Ray en Contee Seely staat een korte uitleg over hoe je TPR toe kunt passen :

  • Bijlage C, Frequentielijsten en TPR woordenlijst
  • Bijlage F, Beginnen met TPR

Voor wie zich verder in TPR wil verdiepen: Ramiro Garcia heeft een praktisch boek geschreven over het gebruik van TPR in de les: Instructor's notebook, how to apply TPR for best results.

Werk jij ook (wel eens) met TPR in je lessen? Wat zijn jouw ervaringen ermee?

Met collegiale groeten, Alike Last

Inspiratie voor nieuwe verhalen

Bij TPRStorytelling staat het vertellen ofwel vragen van  verhalen centraal. De te leren woorden en structuren worden immers aangeboden in de context van een verhaal. Als een verhaal aansluit bij de belevingswereld van onze cursisten en de inhoud boeiend is, kunnen wij de nieuwe woorden en structuren vaak genoeg herhalen (cirkelen) om taalverwerving te bewerkstelligen. Het verhaal – de herkenbare situatie, de grappige of interessante details – zorgen er dan voor dat de herhalingen niet gaan vervelen, waardoor de cursisten zouden kunnen afhaken.

Het is gewoon een briljant concept: simpel en efficiënt! Maar waar vind je de inspiratie voor al die verhalen? Elke week opnieuw!

Voor mijn beginnerslessen put ik vaak uit Het hele verhaal van Elizabeth Skelton (Arcos 2010). Daarin staan zo veel originele verhaaltjes met succesgarantie. Een voorbeeld is Verjaardag op blote voeten. Echt een aanrader!

Voor mijn lessen aan gevorderde cursisten ben ik meer op mijn eigen ideeën aangewezen. En die ontbreken wel eens. Maar eigenlijk worden wij omringd door verhalen, wij moeten alleen maar leren deze ook te zien.

Hier een voorbeeld: ik was uitgenodigd voor een jaren 80-feestje en wist niet wat ik aan moest doen. Niet dat ik meteen doorhad dat hier stof voor een verhaal in zat. Maar toen Kirstin, mijn docente Spaans die ook op het feestje was, in haar les over themafeestjes begon, had ik weer ideeën voor meer dan drie lessen. Denk maar aan de mogelijkheden die dit thema biedt! De meeste mensen zijn wel eens op een themafeestje geweest, het sluit dus aan bij hun belevingswereld. Met dit thema kun alle kanten op. Je cursisten kunnen de gekste thema’s bedenken. Details toevoegen is een makkie. Qua woordenschat kun je de hele kledingkast kwijt, van schoenen t/m hoofdbedekkingen. En ook als het gaat om de doelstructuren zijn de mogelijkheden haast onbeperkt. Hier een paar voorbeelden:

hij/zij trok … aan; hij/zij had … aan;
een groene jas; een zwart vest;
hij/zij wilde eruitzien als …; je moet eruitzien als …;
hij/zij was uitgenodigd voor een feestje (door) …;
hij/zij vond … niet leuk; hij/zij had een hekel aan …;
hij/zij had … nodig.

Aan de genoemde structuren kun je meteen zien dat je het thema voor verschillende niveaus kunt gebruiken, afhankelijk van de structuren die je kiest. Uiteraard kies je maar twee tot drie nieuwe structuren per verhaal.
Hier de thema’s die mijn cursisten gekozen hebben:
Je moet eruitzien als iets wat of iemand wiens naam begint met de letter ‘p’!
Je moet eruitzien als een bekende acteur of actrice/als een bekende persoon.

Ook bestaande verhalen zijn leuke inspiratiebronnen voor nieuwe verhalen. Bijvoorbeeld het gedicht Tante Trui en Tante Toosje van Annie M.G. Schmidt (zie Tante Trui en tante Toosje) of het filmpje van Koefnoen over Lady Gaga in Amsterdam. Daarin zie je hoe Lady Gaga naar de slager gaat om vlees te passen voor haar nieuwe outfit. Ten slotte draagt zij … Kijk er zelf maar naar! Koefnoen Lady Gaga

Nadat je een of meerdere verhalen gevraagd hebt waarin je de ideeën, woorden en structuren uit de tekst of film hebt verwerkt, kun je het origineel samen lezen of bekijken. Het filmpje van Koefnoen zou je ook kunnen gebruiken om te checken of de cursisten de doelstructuren verworven hebben. Het is helemaal zonder woorden. Ideaal! Je laat het zien en achteraf door de cursisten mondeling of schriftelijk navertellen.

 

Ik hoop dat ik jullie hiermee op nieuwe ideeën voor verhalen gebracht heb. Zoals ik al schreef, heb ik zelf ook inspiratie nodig. Dus als jullie leuke ideeën hebben, willen jullie die dan hier op dit forum met mij en met elkaar delen? Ik kijk ernaar uit!!!

 

Veel inspiratie!

Groetjes,
Angela

“Werkwoordschoppers” of de woordvolgorde in de bijzin

Een van de het moeilijkst te verwerven fenomenen van het Nederlands  is de woordvolgorde. Ik ken heel veel buitenlanders die goed Nederlands spreken, maar hiermee na jaren nog steeds worstelen. Een van de redenen hiervoor is volgens mij dat dit fenomeen in hun moedertaal niet voorkomt, een andere reden is de manier waarop het in de les wordt aangeboden.

In het boek “Nederlands in gang” (Coutinho 2010) worden de voegwoorden en de daarvan afhankelijke woordvolgorde pas in hoofdstuk 18 aangeboden. Zelfs het hoogfrequente voegwoord omdat  wordt dan pas geïntroduceerd. In de dialoog van hoofdstuk 12 (elk hoofdstuk begint met een dialoog) wordt weliswaar een beginnetje gemaakt met de vraag “Weet u waar de evenementenhal is?” , maar op “Weet u waar … is” na wordt verder geen aandacht besteed aan deze lastige structuur. In hoofdstuk 18 worden naast omdat  ook nog de volgende voegwoorden aangeboden: hoewel, zodat, zodra, voordat, toen, als, nadat en terwijl. De cursisten worden dus met twee moeilijkheden tegelijkertijd geconfronteerd: de ach zo lastige woordvolgorde en – heel belangrijk – de betekenis van de verschillende voegwoorden. Pfffff… dat valt niet mee! Frustratie gegarandeerd!!!

In mijn TPRS-lessen maakt omdat van begin af aan deel uit van onze verhalen, we hebben het immers nodig als cursisten op de vraag waarom moeten antwoorden. De introductie van de voegwoorden en de woordvolgorde in de bijzin ziet er ongeveer als volgt uit.

Stap 1: Bijzinnen met omdat maken deel uit van verschillende verhalen en worden dus vaak herhaald.

Bijvoorbeeld:
“Frans gaat naar de dokter omdat hij ziek is.”
“Frans goes to the doctor because he is sick.” (Zo mogelijk staat de vertaling op het bord.)

“Gaat Frans naar de dokter omdat hij ziek is?’” -> “Ja, Frans gaat …”
“Gaat Lisa naar de dokter omdat zij ziek is?” -> “Nee, Lisa gaat niet …”
“Gaat Frans of gaat Lisa…?” -> “Frans gaat …”
“Gaat Frans naar zijn moeder omdat hij ziek is? “ -> “Nee, hij gaat niet …”

“Gaat Frans naar de dokter omdat hij blij is?” -> “Nee, omdat hij ziek is.
“Waarom gaat Frans naar de dokter?” -> “Omdat hij ziek is.”

 

Stap 2: Ik introduceer expliciet de “werkwoordschopper” omdat en zijn functie.

Bijvoorbeeld:
“Lady Gaga gaat naar de supermarkt omdat zij trek heeft.”

“Lady Gaga goes to the supermarket because she has an appetite.”

 

 

 

“Gaat Lady Gaga …?”

“Klas, omdat is een ‘werkwoordschopper’. Het werkwoord is heeft. Omdat schopt het werkwoord naar het eind van de zin.” (Zie ook: Storytelling voor het talenonderwijs, handboek TPRS, Arcos 2011, blz. 115) Meestal neem ik een voetbal mee naar de les en/of laat een plaatje van een voetballer zien. Ik omcirkel omdat en teken een voetbaalschoen en een gestippelde lijn naar het werkwoord. Daarna ga ik door met het stellen van vragen over de inhoud. Vervolgens stel ik een vraag over de structuur van de zin.

Bijvoorbeeld:
“Waarom staat omdat aan het eind van de zin?” -> “Omdat is een werkwoordschopper.”
 “Wat doet omdat?” -> “Omdat schopt heeft naar het eind van de zin.”
 “Hoe zeg je ‘omdat zij trek heeft’ zonder omdat” – “Zij heeft trek.”

De vragen over de structuur wissel ik altijd af met inhoudsvragen. Het gaat immers om het verhaal. De structuurvragen zijn alleen bedoeld om de aandacht heel even op de structuur te vestigen zodat deze beter verworven kan worden.

Stap 3, 4, 5 …: Ik introduceer steeds meer “werkwoordschoppers”

Volgens mij is het belangrijk om de voegwoorden een voor een te introduceren omdat de betekenis ook verworven moet worden en vaak even lastig blijkt te zijn. Alsof en naarmate worden bijvoorbeeld allebei met comme vertaald in het Frans. Ze zijn echter geen synoniemen in het Nederlands. En ook het verschil tussen omdat en doordat is best lastig.

 

Het geweldige van grammatica in TPRS-lessen is dat je op elk moment in de cursus terug kan komen op moeilijke grammaticale fenomenen als de woordvolgorde en dat het op dat moment helemaal niet moeilijk lijkt te zijn. Dit i.p.v. een fenomeen op een bepaald moment uitgebreid te behandelen met alle frustratie van dien en zonder het gewenste resultaat. Mijn cursisten houden van het woord “werkwoordschopper” omdat het zo beeldend is.

 

Ik gebruik deze techniek trouwens ook als ik uit een boek les moet geven. Ik las dan her en der een verhaal in om de nieuwe structuur te introduceren en bevraag het fenomeen ook als we het tegenkomen in teksten uit het boek.

 

Mijn excuses voor deze veel te lange blogbijdrage, maar als ik eenmaal op gang kom, ben ik niet meer te stoppen. Ik hoop dat jullie hier iets aan hebben en hoor graag wat jullie ervaringen zijn met grammatica in gewone en in TPRS-lessen.

 

Fijne kerstdagen en een gelukkig nieuw jaar!

Angela

In de knoop – werkt TPRS voor heterogene en vergevorderde NT2-ers?

Ik heb tot nu toe 4 keer een TPRS-les gegeven. Spannend en intensief om te doen, maar erg leuk. De eerste keer stond ik voor een beginnersgroep jongeren op een ISK. Bij beginners is de valkuil dat je te snel gaat. Wanneer je geen of weinig reactie krijgt komt dit niet omdat ze er niets aan vinden, maar omdat ze je niet volgen. De andere drie keer stond ik op de zomerschool van hetzelfde ISK, maar nu met gevorderde leerlingen. Er was sprake van flinke niveauverschillen binnen de groep: sommigen hadden echt nog moeite met de Nederlandse taal, maar de meerderheid was al zo ver dat ze in het Nederlands konden mee-filosoferen over respect.

 In de TPRS-lessen probeerde ik een middenweg te vinden. Ingewikkelde doelstructuren maar simpel woordgebruik, voor ieder wat wils. Dit bleek maar deels te werken. De leerlingen met een lager niveau hadden toch moeite me te volgen, de beste leerlingen vonden het grappig wat ik deed omdat we samen de mooiste verhalen maakten, maar saai wanneer ik uitgebreid zinnen cirkelde. Dus kreeg ik soms weer weinig reactie. Mede door mijn gebrek aan ervaring wist ik niet goed hoe dit op te lossen.

 Dus mijn vragen aan collega-TPRS’ers:

·      Kan TPRS überhaupt werken voor een heterogene klas (wat betreft taalniveau)?

·      Ik lees in de handboeken dat TPRS ook voor (ver)gevorderde niveaus geschikt is. Het lijkt me dat je dan ingewikkelde doelstructuren gebruikt, en langere zinnen, wat betekent dat je cirkelmomenten heel uitgebreid en langgerekt worden. Hoe lossen jullie dit op? Hoe doe je TPRS met (ver)gevorderde groepen?

Ik ben benieuwd naar jullie ervaringen! Dank alvast voor het delen en meedenken.  

TPRS voor NT2 : Hoe en wat?

Netwerkbijeenkomst TPRS 16-06-2012; foto door Christine van Hoorn Ik heb pas kort geleden kennis gemaakt met TPRS, en wil er zo snel mogelijk mee van start gaan. Ik geef les op een ISK in Amsterdam (NT2 aan jongeren die net in Nederland zijn en worden klaargestoomd voor het voortgezet onderwijs). Pubers zijn eerlijke doelgroep : als je met een werk- op spelvorm komt die ze leuk vinden is het enthousiasme bijna tastbaar; geef je ze iets saais te doen, dan hangen ze achterover in hun stoel te gapen.

Ik probeer in mijn lessen steeds te werken met stof die aansluit op hun belevingswereld. Nederlandstalige R&B en hip hop, mooie internettools, spelletjes, samenwerkingsopdrachten. Soms maken we samen rare verhalen om schooltaalwoorden (woorden en woordcombinaties die later in de reguliere lesboeken terugkomen) te oefenen. Hoe maffer het verhaal en hoe meer details vanuit de klas, hoe leuker de leerlingen het vinden.

De leerlingen leren snel, houden ervan betrokken te worden en struikelen bij spreekvaardigheid over bijvoorbeeld zinsopbouw. Ik geloof dat in TPRS van alles samenkomt wat ik mijn leerlingen wil leren. Ik heb daarom een training gevolgd (bedankt Alike van Taalleermethoden.nl!) en ga gewoon maar beginnen, en wel komende maandag.

Omdat we als NT2-ers TPRS-pioniers zijn (er is bijvoorbeeld nog geen lesmateriaal) breek ik m’n hoofd over hoe ik het ga aanpakken. Het begin is makkelijk: ik verzin een verhaaltje van drie structuren, bereid de circelvragen voor, lees nog wat van Ben Slavic en ga aan de slag.

Netwerkbijeenkomst TPRS 16-06-2012; foto door Christine van HoornMaar hoe maak ik hier straks een gestructureerd TPRS-aanbod van? Welke doelstructuren ga ik behandelen, wat is het meest noodzakelijk, welke verhaaltjes bied ik aan : wanneer is het volledig en genoeg?

Graag ga ik met andere TPRS-docenten NT2 in gesprek die al bezig zijn, materiaal hebben ontwikkeld en ook met deze vragen worstelen / al antwoorden hebben. Met wie kan ik hier verder over praten?

Veel dank!

Sofie Blaisse : sofieblaisse@gmail.com

Foto’s copyright Christine van Hoorn