Er was een les die ik nooit zal vergeten: een Amerikaanse cursist werd kwaad toen ik hem uitlegde dat waar in combinatie met een voorzetsel  what of  which betekent en niet where.  – Dat was nog voordat ik lesgaf met TPRS. – Hij vervloekte op dat moment de Nederlandse taal en zijn weerstand groeide immens. Ik begreep hem maar al te goed. Het is zo anders dan in het Engels en dus wennen!

Een andere cursiste die bij mij op les kwam toen ze al ruim op niveau B1 zat, zei verontwaardigd: Ik snap niet waarom er niet van begin af aan expliciet aan bod komt in de lesboeken. Het betekent immers it en dat is een van de belangrijkste woorden in een taal.

En ik geef haar groot gelijk. Het Nederlands stikt van vaste combinaties met een voorzetsel die maken dat de structuur van een zin helemaal verandert. En dat betreft ook heel veel combinaties van hoogfrequente woorden. Houden van, kijken naar en zin hebben in zijn hier voorbeelden van. Op het moment dat je de ‘wat-vraag’ wilt stellen, heb je het vraagwoord waar nodig.

Waar houd je van?
Waar kijk je naar?
Waar heb je zin in?

Sinds ik Nederlands geef, worstel ik met de vraag hoe ik er, daar en waar in de betekenis van it, that  en what het beste kan aanbieden en wanneer ik daarmee moet beginnen. Sinds ik TPRS gebruik, kom ik steeds dichter bij het antwoord: in ieder geval zo vroeg mogelijk. Deze woorden vermijden is onnatuurlijk. Uiteraard verwacht ik niet dat mijn cursisten deze en de daarmee gepaard gaande structuren meteen actief kunnen gebruiken, maar ik geef ze zo de kans om eraan te wennen en de betekenis van deze woorden te begrijpen als ze deze in een gesprek of in een tekst tegenkomen.

In mijn lessen begint het met de vraagwoorden aan de muur. Vanaf de eerste les staat daar waar naast wat met de vertaling what eronder. Als ik een zin als ‘Tom keek naar een roze Porsche.’ bevraag en dus op een gegeven moment zeg ‘Waar keek Tom naar?’ wijs ik tegelijkertijd naar het vraagwoord met zijn vertaling aan de muur. Als mijn cursisten de vraag niet meteen begrijpen of op het moment dat ik de vraag voor de tweede keer stel ,las ik een begripscheck in: “Wat betekent waarnaar? Antwoord: “Whatat.” En weer iets later volgt een korte grammatica-uitleg: ‘De naar maakt dat wat verandert in waar.’ Uiteraard in het Engels als het beginners zijn. Afhankelijk van de groep kan het gebeuren dat ze meteen willen weten “Why?” En dan begin ik met de korte grammatica-uitleg. Als cursisten dan nog meer willen weten, rem ik ze af. We zijn immers bezig met een verhaal! In de loop van de cursus komen ze de ‘waar-vraag’ die wat betekent steeds vaker tegen:

Waar praatten ze over?
Waar luisterde hij naar?
Waarmee ging zij naar Hawaï, met de fiets of met het vliegtuig?

En ze beginnen de ‘waar-vraag’ langzaamaan normaal te vinden. Bovendien herkennen en begrijpen ze deze steeds sneller als ze lezen.

Wil ik dat mijn cursisten de ‘waar-vraag’ ook zelf gaan gebruiken, dan verwerk ik deze in de directe rede in een verhaal: ‘Sarah vroeg aan Tom: “Waar kijk je naar?”’ Op die manier kan ik deze vraag bevragen (cirkelen) en er ook voor zorgen dat de vraag af en toe deel uitmaakt van het antwoord dat de cursisten moeten geven (“Wat vroeg Sarah aan Tom?” Antwoord: “Waar kijk je naar?”)

Jullie kunnen je misschien al voorstellen dat het een stuk makkelijker wordt om er en daar in de betekenis van  it en that te introduceren als je met waar begonnen bent. Maar daar ga ik het een andere keer over hebben.

Nu zou ik graag van jullie willen weten hoe jullie deze woorden aanbieden. Het is namelijk niet zo dat ik het gevoel heb dat ik er al helemaal ben. Zeker als het gaat om er en daar blijf ik het moeilijk vinden. Mijn cursisten begrijpen deze woorden wel, maar gebruiken ze zelden (goed). Ook zou ik het interessant vinden om van jullie te horen wat volgens jullie frequente vaste combinaties zijn die de moeite zijn om vaak te herhalen in de les. Zou het niet leuk zijn om met z’n allen een lijst samen te stellen?

Ik ben benieuwd naar jullie ideeën, tips, good practises en frequente vaste combinaties!

Hartelijke groet, Angela

 

 

Een reactie op “Maar ‘waar’ betekent toch ‘where’?”

  1. i.behage zegt:

    Hallo Angela,
    Toen ik op 19 jarige leeftijd in NL aankwam en nog geen Nederlands sprak, gebruikte ik uitsluitend DIE constructies, waar ik me veilig bij voelde, waarvan ik zeker wist: dit klopt. Dus als je leerlingen de constructies snappen, maar niet altijd even goed gebruiken, kan het zijn, dat jij je nog onzeker voelt over de juiste toepassing. En dat te overwinnen, dus de wendingen en gebruiken echt onder de knie te krijgen is een kwestie van heel veel herhalen en doen. Elke dag 5 minuten er – waar – daar, bij voorbeeld? Succes!

Reageer


+ twee = 4