Hallo allemaal,
Mijn naam is Angela en ik geef les aan volwassenen die Nederlands of Duits willen of moeten leren. Ik ben heel erg enthousiast over TPRStorytelling en probeer deze methode dan ook zo vaak mogelijk toe te passen in mijn lessen.
Ik heb inmiddels een aantal privécursisten en één groep aan wie ik uitsluitend lesgeef door verhalen te vragen, te lezen en te laten schrijven. Maar helaas kan ik niet in al mijn lessen alleen maar met TPRStorytelling werken omdat ik in opdracht van verschillende taalaanbieders werk en sommige van hen een vaststaand lesprogramma hanteren.
Terwijl ik op basis van mijn eigen ervaring (ik volg zelf TPRS-lessen Spaans bij Kirstin) en de positive reacties en resultaten van mijn cursisten steeds meer overtuigd raak van de kracht van deze methode, betrap ik me toch nog steeds op twijfels. Gaat het wel snel genoeg? Leren mijn cursisten wel genoeg woorden en structuren?
Volgens Blaine Ray en Contee Seely moeten we ons in de les beperken tot het oefenen van de basisstructuren- en woorden ofwel de binnencirkel (Handboek TPRS 2011, 27), terwijl in andere methodes vaak veel meer woorden en structuren aangeboden worden. Mijn twijfels gaan gepaard met een gevoel van gehaast zijn. Ze komen met name naar boven als ik me voor een opdrachtgever moet verantwoorden. Bij mijn privécursisten heb ik dit veel minder. Degenen van jullie die lesgeven op een middelbare school zal dit wellicht bekend voorkomen.
Ik zal jullie een voorbeeld geven van een staatsexamencursus waarbij het lesrooster in principe vaststaat en waarvan TPRStorytelling geen deel uitmaakt. Toch ben ik aan het begin van de cursus wel eens afgeweken van het lesprogramma en heb verhalen gevraagd. Dit heb ik gedaan toen er in het rooster ‘vocabulaire oefenen’ stond en in plaats van opdrachten uit het lesboek die ik niet zinvol vond. De cursisten waren blij met de verhalen en hebben enthousiast meegedaan, ik daarentegen keek vaak op de klok en had een slecht geweten als het wat langer duurde.
Naarmate de cursus vorderde nam de te behandelende stof dermate toe dat ik ‘geen tijd’ meer had om verhalen te vragen. In plaats daarvan moesten de cursisten de werkwoordtijden stampen en toetsen maken (tegen mijn overtuiging in, maar vast onderdeel van het programma!).
Eergisteren kwam de constructie ‘om … te + infinitief’ voor het eerst expliciet aan bod, een constructie die al deel uitmaakte van ons allereerste verhaal dat ik begin september verteld had. In plaats van de voorbeeldzinnen uit het lesboek te gebruiken, vroeg ik de cursisten of ze zich Piet nog konden herinneren. Op de drie nieuwe cursisten na riep iedereen ‘Ja, Piet, de kleine olifant’. En op de daaropvolgende vraag: ‘Waarom ging Piet naar zijn moeder?’ was het antwoord: ‘Om met haar over Afrika te praten’. Alle details van het verhaal kwamen weer naar boven inclusief de constructie ‘om … te + infinitief’. Ik stond er, zoals zo vaak, versteld van hoe de verhalen beklijven. Het was dus goed om in het begin de tijd te nemen.
De doelconstructie van deze les hadden de meeste cursisten al lang verworven. Iets wat bleek uit het maken van de daaropvolgende opdrachten. De verleden tijd van de werkwoorden die geen deel uitmaakten van de verhalen daarentegen gebruiken de cursisten nog steeds niet als ze schrijven en spreken. Dit terwijl alle cursisten de werkwoordtoetsen toch gehaald hebben.
Wellicht moet ik dus ook in deze groep voortaan weer de tijd nemen voor verhalen!
Graag hoor ik van jullie of jullie ook vaak het gevoel hebben dat het te langzaam gaat, maar nog liever zou ik heel veel reacties krijgen met bewijzen dat het de moeite waard is wel de tijd te nemen!
Angela
<!–[if gte mso 9]> Normal 0 21 false false false MicrosoftInternetExplorer4 <![endif]–><!–[if gte mso 9]> <![endif]–>
Recente Reacties