A1 spreken, wat moet ik kunnen voor dit niveau?

  • Ik kan eenvoudige vragen stellen over bekende onderwerpen en antwoord geven.

  • Ik kan groeten en afscheid nemen.

  • Ik kan vragen hoe het met iemand gaat en reageren als mij gevraagd wordt hoe het met me gaat.

  • Ik kan alledaagse uitdrukkingen begrijpen als ze langzaam en duidelijk worden uitgesproken door iemand die er rekening mee houdt dat ik de taal niet zo goed kan.

  • Ik kan mensen iets vragen en mensen iets aanbieden.

  • Ik kan korte, eenvoudige, duidelijk geformuleerde vragen en aanwijzingen die voor mij bedoeld zijn begrijpen en uitvoeren.

  • Ik kan de tijd noemen met behulp van uitdrukkingen als volgende week, afgelopen vrijdag, in november, drie uur.

  • Ik kan vragen stellen en beantwoorden over mezelf en andere mensen, waar ze wonen, hun vrienden, de dingen die ze bezitten.

  • Ik kan in een interview antwoord geven op vragen over persoonlijke dingen als ze langzaam, duidelijk en in eenvoudige taal gesteld zijn.

  • Ik kan op eenvoudige vragen antwoorden door iets of iemand aan te wijzen.

Als je 8 van de 10 dingen kunt, kun je A1 invullen in het talenpaspoort bij spreken.