Wil je een specifiek zinsdeel oefenen? Maak hieronder je keuze! Onder elk zinsdeel staat een korte beschrijving, zodat je geheugen weer wordt opgefrist.

TIP: werk bij redekundig ontleden altijd in de onderstaande vaste volgorde: van boven naar onder, dus van persoonsvorm naar bijvoeglijke bepaling!

Redekundig ontleden algemeen | 1 | 2 |

Persoonsvorm | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |

Verandert als je de zin in een andere tijd zet

Onderwerp | 1 | 2 | 3 |

Wie/wat + persoonsvorm

Naamwoordelijk gezegde | 1 |

Werkwoordelijk deel (één van de negen koppelwerkwoorden + overige werkwoorden) + naamwoordelijk deel (toestand/eigenschap)

Werkwoordelijk gezegde | 1 |

Alle werkwoorden van een zin

Lijdend voorwerp | 1 |

Wie/wat + alle eerder gevonden zinsdelen

Meewerkend voorwerp | 1 |

Aan wie/voor wie + alle eerder gevonden zinsdelen

Voorzetselvoorwerp | 1 |

Begint met een figuurlijk voorzetsel dat bij een werkwoord hoort | combineer de vraag ‘waar’ met dit voorzetsel en het complete voorzetselvoorwerp verschijnt (bijv.: waarop? op je medewerking!)

Bijwoordelijke bepaling | 1 |

Duidt plaats of tijd aan | kan iets zeggen over: werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord | restwoorden

Bijvoeglijke bepaling | 1 |

Zegt iets over zelfstandig naamwoord

Veel van deze taaloefeningen komen van CambiumNed!