De zesde groep woordsoorten bestaat uit het wederkerend en wederkerig voornaamwoord. Als je deze woordsoorten letterlijk neemt, betekent ‘weder’ hetzelfde als ‘weer’. Dat kun je op zo’n manier opvatten dat bij deze woordsoorten de personen in een zin twee keer worden genoemd.

Bij het wederkerend werkwoord gaat het vooral om personen die als het ware twee keer voorbijkomen, dat is dus vaak het onderwerp (redekundig ontleden). Voorbeelden van wederkerende voornaamwoorden zijn:

me, mij, je, u, zich, ons, mezelf, jezelf, uzelf, zichzelf

In een paar voorbeeldzinnen zal ik laten zien hoe je dit woordsoort kunt herkennen. De onderstreepte woorden zijn wederkerende voornaamwoorden:

“Ik schaam me altijd dood als ik op het podium sta.” (Met ‘Ik’ en ‘me’ worden dezelfde personen bedoeld | ‘Ik’ is hier het onderwerp dat in deze zin dus eigenlijk twee keer wordt genoemd)

“Stelt u zich eens voor dat de aarde niet meer draait.” (Met ‘u’ en ‘zich’ worden dezelfde personen bedoeld | ‘u’ is hier het onderwerp dat in deze zin dus eigenlijk twee keer wordt genoemd)

“Jij vergist je de laatste tijd veel te vaak. “ (Met ”Jij’ en ‘je’ worden dezelfde personen bedoeld | ‘Jij’ is hier het onderwerp dat in deze zin dus eigenlijk twee keer wordt genoemd)

“Pas op dat je jezelf niet snijdt met dat scherpe mes!” (Met ‘je’ en ‘jezelf’ worden dezelfde personen bedoeld | ‘je’ is hier het onderwerp dat in deze zin dus eigenlijk twee keer wordt genoemd)