Het voorzetsel is bij de behandeling van het redekundige zinsdeel het voorzetselvoorwerp ook langsgekomen, dus misschien komt dit woordsoort je al bekend voor. Bij voorzetsels gaat het altijd om locatie. Voorzetsels worden in de volksmond ook wel ‘kooiwoorden’ genoemd, omdat bijna elk voorzetsel wel in combinatie kan worden gebracht met ‘de kooi’. Voorbeelden van voorzetsels zijn:

in (de kooi), op (de kooi), over, tegen, naar, van, onder, boven, tussen, met, naast, aan, achter, bij, voor, om, etc.

Hieronder volgt een aantal voorbeeldzinnen. De voorzetsels zijn steeds onderstreept:

“Ga je nog naar dat feest nu je je zo naar voelt?” (de tweede ‘naar’ is hier een bijwoord)

In de stad ben ik van hot naar her gelopen om die leuke broek te vinden.” (‘te’ is hier een bijwoord)

Met zijn vriendin liep hij de markt over.”

“Wil jij ondertussen de tafel even dekken?” (‘ondertussen’ is hier een bijwoord van tijd)

“Ik heb zelfs onder het bed en tussen de muur en de kast gezocht!” (nu zijn ‘onder’ en ‘tussen’ wél voorzetsels)