Het voegwoord kan in één adem genoemd worden met de samengestelde zin. Daarom wordt bij deze uitleg over het voegwoord, ook de samengestelde zin uitgelegd.

Een voegwoord ‘plakt’ twee zinnen aan elkaar en zorgt ervoor dat twee of meer zinnen met elk hun eigen ‘mededeling’ of ‘boodschap’ een goed lopend geheel vormen. Deze goed lopende zin die uit twee of meer kleinere zinnen bestaat, noem je een samengestelde zin. Voegwoorden kun je vaak herkennen aan de komma die ervoor staat, maar niet elk voegwoord wordt voorafgegaan door een komma en je schrijft niet alleen een komma bij voegwoorden. Een voegwoord komt het meest voor in het midden van de zin, met links daarvan de ene zin en rechts daarvan de andere zin. Je kunt een zin ook beginnen met een voegwoord. Van zinnen aan elkaar ‘plakken’ is dan feitelijk gezien niet echt meer sprake, maar zo’n woord blijft wel een voegwoord.

Er zijn twee soorten voegwoorden: onderschikkende en nevenschikkende. Er zijn maar een paar nevenschikkende voegwoorden, de rest is onderschikkend.

Een onderschikkend voegwoord komt voor in een samengestelde zin, waarbij je te maken hebt met een hoofdzin en een bijzin. De hoofdzin bevat daarbij altijd de belangrijkste boodschap; de bijzin bevat dus informatie die ondergeschikt is aan de hoofdzin. Vandaar de naam onderschikkend voegwoord.

Een nevenschikkend voegwoord komt voor in een samengestelde zin die uit twee hoofdzinnen is opgebouwd: beide zinnen zijn even belangrijk en hebben vaak dezelfde zinsbouw.

Naast onder- en nevenschikkende voegwoorden, kun je dus zeggen dat je ook onder- en nevenschikkende zinnen hebt, want een samengestelde zin met een nevenschikkend voegwoord, is vanzelfsprekend een nevenschikkende zin te noemen.

Nu heb je de voorkennis die je nodig hebt om met samengestelde zinnen en voegwoorden aan de slag te gaan!

Zoals gezegd, zijn er maar een paar nevenschikkende voegwoorden. Dit zijn ze:

en, maar, want, of, noch, doch

Deze laatste twee worden vandaag de dag niet zo vaak meer gebruikt. Heb je dus een samengestelde zin waarin één van de bovenstaande nevenschikkende voegwoorden voorkomt, weet je dus dat die samengestelde zin bijna altijd uit twee hoofdzinnen is opgebouwd.

Dan de onderschikkende voegwoorden. Dat zijn eigenlijk alle voegwoorden, behalve de nevenschikkende… Een paar voorbeelden:

omdat, terwijl, daardoor, dat, zodat, doordat, nadat, als, indien, opdat

Nu is het tijd voor een paar voorbeeldzinnen. De voegwoorden zijn steeds onderstreept:

“Mieke bakt een taart en Petra helpt haar moeder.” (‘en’ hoort bij de nevenschikkende voegwoorden, dus deze zin heeft twee hoofdzinnen | controleer ook of je ziet dat de twee hoofdzinnen op dezelfde manier zijn opgebouwd)

“Vandaag ga ik niet naar school, want ik voel me niet goed.” (‘want’ is een nevenschikkend voegwoord, dus deze zin is opgebouwd uit twee hoofdzinnen)

“Volgend jaar ga ik kamperen, of ik ga met de caravan weg.” (‘of’ is een nevenschikkend voegwoord en deze zin is ook weer opgebouwd uit twee hoofdzinnen)

“In dat café kom ik graag, omdat ik daar altijd mooie herinneringen bovenkomen.” (‘omdat’ is een onderschikkend voegwoord, dus deze zin is opgebouwd uit een hoofdzin en een bijzin | in dit geval is de hoofdzin de zin ‘In t/m graag’)

“De boer bewerkt het land, zodat daar weer bloemkool kan groeien.” (‘zodat’ is een onderschikkend voegwoord, dus deze zin is opgebouwd uit een hoofdzin en een bijzin | in dit geval is de hoofdzin de zin ‘De t/m land’)

Doordat het de hele week heeft geregend, is wandelen in het bos geen pretje.” (‘Doordat’ is een onderschikkend voegwoord, dus deze zin is opgebouwd uit een hoofdzin en een bijzin | in dit geval is de hoofdzin de zin ‘is t/m pretje’)

Voor de taalfreak:

Het kan voorkomen dat een zin een onderschikkende zin is, maar dat in die zin een nevenschikkend voegwoord voorkomt. Kijk maar:

Of ik morgen naar school kom, weet ik niet.”

Er is namelijk nog een andere regel op dit gebied die je niet vaak nodig hebt. Die regel luidt als volgt:

Als je het woordje ‘niet’ tussen de persoonsvorm en het onderwerp kunt zetten, heb je te maken met een bijzin, dus onderschikking!

Als we dat hier even controleren, zien we dat dat inderdaad klopt:

Of ik morgen niet naar school kom, weet ik niet.”

Daarbij letten we natuurlijk alleen even op het eerste gedeelte. Het spreekt vanzelf dat de zin deze manier een rare kronkel krijgt.

In bovenstaande zin heb je in eerste instantie dus te maken met een nevenschikkend voegwoord, maar als je verder kijkt, zie je dat deze zin toch onderschikkend is vanwege het woordje ‘niet’ dat tussen persoonsvorm  (‘kom’) en onderwerp (‘ik’) gezet kan worden.