De laatste woordsoort is het tussenwerpsel en is eenvoudig te herkennen, omdat het bij tussenwerpsels altijd gaat om bepaalde uitroepen, kreten, of klanknabootsingen. Ook staan tussenwerpsels vaak op zichzelf.

Voorbeelden van tussenwerpsels:

hee!, oei!, hoor, jakkes!, hela!, verdorie!, au!, oehoe, roekoe, foei!, proost!, hoera!, hallo!, toe maar!

De voorbeeldzinnen. De tussenwerpsels zijn onderstreept:

“Dat vind ik echt niet leuk, hoor!”

Poeh, wat ben ik moe zeg!”

Jeminee, had je dat niet eerder kunnen zeggen!?”

Helaas, de ploeg heeft de volgende ronde niet bereikt.”

Psst, weet jij het antwoord op vraag vijf?”