De derde groep woordsoorten is die van het persoonlijk voornaamwoord en het bezittelijk voornaamwoord. Deze twee woordsoorten staan in één groep, omdat er een aantal woorden is dat zowel een persoonlijk als bezittelijk voornaamwoord kan zijn. Om deze twee dus goed uit elkaar te houden, staan ze in dezelfde groep!

Zoals ik al eerder zei, is het bij sommige woordsoorten erg eenvoudig te zien wat er mee wordt aangeduid. Het lijkt me duidelijk dat het persoonlijk voornaamwoord personen aanduidt. Dat kan er eentje zijn, maar ook meer. Een nagenoeg waterdichte regel om te testen of een woord een persoonlijk voornaamwoord is, is om te kijken of dat woord kan worden vervangen door de naam van een persoon of de namen van personen. Hoe dat gaat, zal ik hieronder laten zien. Eerst de woorden die een persoonlijk voornaamwoord zouden kunnen zijn:

ik, je, jij, jou, me, mij, u, hij, zij, het, we, wij, ons, jullie, zij (meervoud), ge, gij, hem haar, hen hun.

Een paar voorbeelden, de persoonlijke voornaamwoorden zijn onderstreept:

“Wil je dat ik aan je tafel kom zitten?”

De persoonlijke voornaamwoorden vervangen we nu door namen van personen:

“Wil Peter dat Linda aan je tafel komt zitten?”

Je ziet dat de laatste, niet-onderstreepte ‘je’ niet door de naam van een persoon kan worden vervangen, dus is dat ook geen persoonlijk voornaamwoord, omdat het een bezit aangeeft, dus is dat een bezittelijk voornaamwoord. Ook kun je deze niet-onderstreepte ‘je’ vervangen door het bezittelijke ‘jouw’. Je kunt deze ‘je’ wel vervangen door een naam, maar dan word je eigenlijk gedwongen om er ‘s aan toe te voegen om het kloppend te maken. Dat wordt beschouwd als ‘vals spelen’:

“Wil Peter dat Linda aan Linda’s tafel komt zitten?”

Omdat je deze laatste ‘je’ dus niet kunt vervangen door alleen een naam (zonder ‘s toe te voegen) is dit geen persoonlijk voornaamwoord, maar een bezittelijk voornaamwoord.

Nog een paar voorbeelden, de persoonlijke voornaamwoorden zijn onderstreept:

We hebben ontzettend veel lol gehad op ons nieuwe vakantieadres.” (‘We’ kan vervangen worden door bijvoorbeeld ‘Peter en Annie’ | ‘ons’ kan niet vervangen worden door personen, anders krijgt je: ‘…op Peter en Annie nieuwe vakantieadres.’)

“Nog steeds vind ik dat je je haar moet dragen zoals je laatst deed.” (de onderstreepte persoonlijke voornaamwoorden kun je allemaal vervangen door namen van personen | bij de tweede ‘je’ kan dat niet, dus is het een bezittelijk voornaamwoord. Ook kun je de tweede ‘je’ vervangen door het bezittelijke ‘jouw’.)

“Die boom is niet van ons, maar van jullie! Vraag maar aan hen!” (deze onderstreepte persoonlijke voornaamwoorden lijken allemaal bezittelijke voornaamwoorden, maar zoals je ziet kun je ze allemaal vervangen door namen van personen. Daarom zijn het persoonlijke voornaamwoorden:

“Die boom is niet van Peter en Annie, maar van Arie en Saskia! Vraag maar aan Ans en Henk!”

Nog een zin:

“Dit is niet onze boom, maar hun boom! Vraag het ze maar!” (in deze zin kun je alleen ‘ze’ vervangen door namen van personen | ‘onze’ en ‘hun’ zijn daarom bezittelijke voornaamwoorden.)

Een bijzonderheid: het persoonlijke voornaamwoord ‘het’:

De volgende bizarre regel staat ook bij de uitleg van de lidwoorden. Het lidwoord het kan namelijk ook voorkomen als persoonlijk voornaamwoord. Dat is het geval als in een zin twee keer hetzelfde onderwerp genoemd wordt. Hieronder een paar voorbeeldzinnen:

Het is goed dat jij de verantwoordelijkheid op je neemt.” (de twee onderstreepte gedeeltes betekenen hier precies hetzelfde. Redekundig gezien, zijn ze beiden het onderwerp. Taalkundig gezien is ‘Het’ daarom geen lidwoord, maar een persoonlijk voornaamwoord.)

Nog een voorbeeld:

Het vreemde is dat ze er niet meer van weet.” (redekundig zijn beide onderstreepte gedeeltes het onderwerp, daarom is ‘Het’ taalkundig gezien en persoonlijk voornaamwoord.)