De eerste groep woordsoorten: lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord. Deze drie woordsoorten hebben veel met elkaar te maken: lidwoorden kun je voor zelfstandige naamwoorden zetten; bijvoeglijke naamwoorden zeggen altijd iets van zelfstandige naamwoorden.

Er zijn drie lidwoorden: de, het en een. Deze laatste moet je niet verwarren met het telwoord één. De accenttekens maken daar het verschil. Het lidwoord het kan ook voorkomen als persoonlijk voornaamwoord. Dat is het geval als in een zin twee keer hetzelfde onderwerp genoemd wordt. Hieronder een paar voorbeeldzinnen:

“Geef jij de kat even te eten?” (‘de’ is een lidwoord, want het staat voor het zelfstandige naamwoord ‘kat’)

Het nieuwe huis zag er prachtig uit.” (‘Het’ is een lidwoord, want het staat voor het zelfstandige naamwoord ‘huis’)

“Mag ik het een keertje proberen?” (‘een’ is een lidwoord, want het staat voor het zelfstandige naamwoord ‘keertje’)

“In zijn hand had hij niet twee, maar één appel.” (‘één’ is hier geen lidwoord, want het is duidelijk dat hier een getal wordt bedoeld)

Het is goed dat jij de verantwoordelijkheid op je neemt.” (de twee onderstreepte gedeeltes betekenen hier precies hetzelfde. Redekundig gezien, zijn ze beiden het onderwerp. Taalkundig gezien is ‘Het’ daarom geen lidwoord, maar een persoonlijk voornaamwoord). Geen logische regel als je het mij vraagt…