Het koppelwerkwoord heeft altijd direct te maken met het naamwoordelijk gezegde (= redekundig ontleden). Staat er een koppelwerkwoord ergens in de zin, heb je tegelijkertijd ALTIJD te maken met een naamwoordelijk gezegde. Omgekeerd geldt ook: als een zin een naamwoordelijk gezegde heeft, heeft de zin taalkundig gezien ook altijd een koppelwerkwoord.

Maar pas op! Een werkwoord dat er uitziet als koppelwerkwoord, is dat niet altijd! Het kan namelijk ook één van de andere werkwoorden zijn: hulpwerkwoord of zelfstandig werkwoord.

Om erachter te komen of een zin een koppelwerkwoord heeft, stel je net als bij het naamwoordelijk gezegde altijd 'de drie vragen'. Deze drie vragen zijn dus voor het koppelwerkwoord als het naamwoordelijk gezegde precies hetzelfde. Deze twee gaan immers altijd samen! Handig dus.

De drie vragen

Als je wilt weten of een werkwoord een koppelwerkwoord is, stel je aan de betreffende zin de onderstaande drie vragen:

Vraag 1: Staat er een vorm van één van de negen koppelwerkwoorden in de zin?

Vraag 2: Gaat het in de zin om een 'toestand' (ook wel: eigenschap)?

Vraag 3: Wordt er in de zin iets over het onderwerp gezegd?

Alleen als je elk van de drie vragen met 'JA' kunt beantwoorden, heb je te maken met een koppelwerkwoord. Als ook maar één vraag met 'NEE' wordt beantwoord, je NIET te maken met een koppelwerkwoord, maar een hulpwerkwoord of een zelfstandig werkwoord. Is het antwoord op vraag 1 'NEE', kun je meteen stoppen met vragen, want dan weet je al dat je NIET te maken hebt met een koppelwerkwoord, maar met één van de andere werkwoorden: een hulpwerkwoord of zelfstandig werkwoord. De drie vragen licht ik hieronder toe:

Vraag 1: In totaal zijn er negen werkwoorden die een koppelwerkwoord zouden kunnen zijn. Namelijk:

zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, vóórkomen.

Dit zijn allemaal hele werkwoorden, maar koppelwerkwoorden kunnen ook vervoegingen zijn van deze negen koppelwerkwoorden. Als ik het werkwoord 'zijn' er even uitpak, kunnen de volgende woorden dus ook koppelwerkwoorden zijn:

is, was, geweest, ben, waren.

Deze komen allemaal van het woord 'zijn'. Hetzelfde geldt voor de andere acht koppelwerkwoorden. Woorden als 'werd' , 'gebleven', 'leek' en 'bleek' kunnen dus ook allemaal koppelwerkwoorden zijn.

In de volgende zinnen zijn de koppelwerkwoorden onderstreept:

"Peter is al heel lang ziek." ('ziek zijn' kun je niet doen; 'ziek' is een eigenschap van 'Peter')

"Onze nieuwe juf blijkt heel aardig te zijn." (dat iets 'blijkt' is kun je niet doen; 'aardig' is een eigenschap/toestand van 'Onze nieuwe juf')

"Mijn oma wordt morgen honderd jaar!" ('honderd jaar worden' is geen handeling of activiteit en kun je dus niet doen; het 'honderd worden' is een eigenschap/toestand van 'Mijn oma')

In de volgende zinnen zitten geen koppelwerkwoorden, maar werkwoorden die een handeling of actie uitdrukken:

"Vorig jaar schaatste je erg goed." ('schaatsen' kun je doen en is in dit geval een zelfstandig werkwoord)

"Veel mensen kijken wel eens tv." ('kijken' kun je doen en is in dit geval een zelfstandig werkwoord)

"Een beter milieu begint bij jezelf." ('beginnen' kun je doen en is in dit geval een zelfstandig werkwoord)

Zoals je ziet maak ik onderscheid tussen eigenschap/toestand en handeling/actie. De werkwoorden van een zin vallen altijd in een van deze twee categorieën. Dit heeft alles te maken met vraag twee:

Vraag 2: Als vraag 1 met 'JA' is beantwoord en je dus het koppelwerkwoord in de zin hebt gevonden, stel je vraag 2: 'Gaat het in de zin om een eigenschap (ook wel: toestand)? Als je vraag 1 met 'NEE' hebt beantwoord, heb je dus niet te maken met een koppelwerkwoord. Logisch natuurlijk.

Wat voor ons bij het koppelwerkwoord dus interessant is, is als het in de zin om een eigenschap ofwel toestand gaat. Wat wordt daar precies mee bedoeld? Eigenschappen zeggen vaak iets over het onderwerp: 'Zieke Peter', 'Aardige juf', 'Honderdjarige oma'. Eigenschappen of toestanden kun je ook nooit uitvoeren: je kunt niet de handeling 'ziek zijn' uitvoeren, je kunt niet de handeling 'honderd worden' uitvoeren en je kunt de handeling 'blijken aardig te zijn' ook niet uitvoeren.

Daartegenover staan werkwoorden die wel uit te voeren zijn: 'schaatsen' kun je prima uitvoeren, net als 'kijken' en 'beginnen'. Deze werkwoorden zijn echter niet interessant voor het vinden van het  koppelwerkwoord, maar het is erg belangrijk om het verschil te kunnen zien tussen eigenschap/toestand en handeling/actie.

Vraag 3: Als laatste vraag wil je weten of in de zin iets wordt gezegd over het onderwerp. In de zin:

"Peter is al heel lang ziek.", zegt 'ziek' bijvoorbeeld iets over 'Peter'.

In de zin "Onze nieuwe juf blijkt heel aardig te zijn.", zegt 'aardig' iets over 'Onze nieuwe juf'.

In de zin "Mijn oma wordt morgen honderd jaar!", zegt 'honderd jaar' iets over 'Mijn oma'.

De drie vragen samengevat

Als je bij de eerste voorbeeldzin dan alle antwoorden op een rij zet, zie je het volgende:

"Peter is al heel lang ziek."

Vraag 1: Staat er een koppelwerkwoord in de zin? Antwoord: 'JA' (het koppelwerkwoord 'is').

Vraag 2: Gaat het in de zin om een eigenschap/toestand? Antwoord: 'JA' (het 'ziek zijn').

Vraag 3: Wordt er in de zin iets over het onderwerp (Peter) gezegd? Antwoord: 'JA' (dat 'Peter' ziek is).

Op alledrie de vragen heb je 'JA' kunnen antwoorden, dus is 'is' daadwerkelijk een koppelwerkwoord. Nogmaals: als één van deze vragen met 'NEE' beantwoord was, zou 'is' een hulpwerkwoord of een zelfstandig werkwoord zijn.

 

Nu een nieuwe voorbeeldzin, maar dan zonder uitgeschreven denkstappen:

"Dat kind leek mij bijzonder gelukkig."

Vraag 1: Staat er een koppelwerkwoord in de zin? Antwoord: 'JA' ('leek')

Vraag 2: Gaat het in de zin om een eigenschap/toestand? Antwoord: 'JA' ('gelukkig zijn')

Vraag 3: Wordt er in de zin iets over het onderwerp ('Dat kind') gezegd? Antwoord: 'JA' (dat 'Dat kind' gelukkig is).

Drie keer 'JA' betekent: 'leek' is een koppelwerkwoord.

Hieronder geef ik een aantal zinnen waar hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden in voorkomen:

"Het is nog nooit zo warm geweest" (Er staan twee werkwoorden in deze zin: 'is' en 'geweest'. Allebei komen ze van het koppelwerkwoord 'zijn', maar er kan er maar één het koppelwerkwoord zijn, omdat dit geen samengestelde zin is. Welk werkwoord is dan het koppelwerkwoord? Dat is niet zo moeilijk. We weten namelijk dat hulpwerkwoorden altijd veranderen als je de zin in een andere tijd zet. In dit geval is dat 'is', wat in 'was' verandert als je de zin in een andere tijd zet. 'Is' is dus een hulpwerkwoord en 'geweest' kan dan twee dingen zijn: een koppelwerkwoord of een zelfstandig werkwoord. Als we de drie vragen op deze zin loslaten (koppelwerkwoord? toestand? zegt iets over onderwerp?), komen we erachter dat dit een koppelwerkwoord is.)

Nog een zin:

"Dit rapport blijkt vervalst te zijn." (Ook hier staan twee koppelwerkwoorden in de zin. Niets aan de hand, want het hulpwerkwoord hebben we al snel gevonden als we de zin in een andere tijd zetten: 'blijkt' verandert dan in 'bleek', dus dat is het hulpwerkwoord. Vervolgens laat je de drie vragen op de zin los en dan kom je er achter dat 'zijn' het koppelwerkwoord is.)

Nog een zin:

"Het blijft moeilijk om een wereldrecord te verbeteren." (Hier hebben we te maken met een samengestelde zin. 'Het blijft moeilijk' is de ene zin en 'om een wereldrecord te verbeteren' is de ander. Deze kleinere zinnen gaan we dus één voor één bekijken. Eerst de eerste zin: daar staat één werkwoord in de zin ('blijft') en dat is ook één van de negen koppelwerkwoorden. Als we de drie vragen er dan op los laten, komen we erachter dat het hier ook om een koppelwerkwoord gaat en bijvoorbeeld niet om een zelfstandig werkwoord. Alledrie de vragen kun je namelijk met 'JA' beantwoorden. De tweede zin nu: daarin staat één werkwoord 'verbeteren', maar dat is niet één van de negen koppelwerkwoorden. Het stellen van de drie vragen heeft dus ook geen zin, omdat vraag 1 'Staat er een koppelwerkwoord in de zin?' dan al met 'NEE' beantwoord wordt. Het werkwoord 'verbeteren' kan dus twee dingen zijn: een hulpwerkwoord of een zelfstandig werkwoord. Een hulpwerkwoord kan het al niet zijn, omdat je voor een hulpwerkwoord minimaal twee werkwoorden in de zin moet hebben staan. Dat is hier niet het geval; het is daarom een zelfstandig werkwoord.

Je ziet: de belangrijkste regels bij het benoemen van werkwoorden zijn de regels van hoe je een hulpwerkwoord vindt en 'de drie vragen'.