De tweede groep woordsoorten zijn de werkwoorden: hulpwerkwoord, koppelwerkwoord, zelfstandig werkwoord. Het verband tussen deze drie mag duidelijk zijn: het zijn allemaal werkwoorden. Alledrie kun je ze op een andere manier vinden. Ook is het zo dat werkwoorden zowel hulp-, koppel-, als zelfstandige werkwoorde kunnen zijn. Je kunt dus niet zeggen: het werkwoord ‘gebeuren’ is altijd een hulpwerkwoord, of het werkwoord ‘zijn’ is altijd een koppelwerkwoord.

Het moeilijke van het herkennen en benoemen van werkwoorden, is dat je bepaalde kennis van het redekundig ontleden moet combineren met kennis van het taalkundig ontleden. Hieronder leg ik uit hoe je elk werkwoord in een zin kunt herkennen:

Een hulpwerkwoord kan alleen in een zin voorkomen als er twee of meer werkwoorden in die zin staan. Het hulpwerkwoord is het woord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet. De persoonsvorm dus! Als je dus te maken hebt met een samengestelde zin (een zin die uit meerdere kleinere zinnen bestaat), kan het dus heel goed voorkomen dat die zin meerdere hulpwerkwoorden bevat.

Een paar voorbeeldzinnen:

Heb je een bedelaar wel eens geld gegeven?” (‘Heb’ is een hulpwerkwoord: er staan minimaal twee werkwoorden in de zin (gegeven) en ‘Heb’ verandert in ‘Had’ als je de tijd van de zin verandert)

“Ik vind het erg jammer dat Sinterklaas steeds minder gevierd wordt.” (‘wordt’ is het hulpwerkwoord: er staan minimaal twee werkwoorden in de zin (gevierd) en ‘wordt’ verandert in ‘werd’ als je de tijd van de zin verandert)

“Eigenlijk heb je verloren, maar ik wil best nog best een spelletje spelen.” (dit is een samengestelde zin: ‘heb’ is het hulpwerkwoord van de eerste kleinere zin en verandert in ‘had’ als je de tijd van de zin verandert; het andere werkwoord is ‘verloren’ | ‘wil’ is het hulpwerkwoord van de tweede kleinere zin; het verandert in ‘wilde’ als je de tijd van de zin verandert; het andere werkwoord is ‘spelen’ | deze samengestelde zin heeft dus twee hulpwerkwoorden en dus ook twee persoonsvormen!)