Het bijwoord is qua regels precies hetzelfde te herkennen als de bijwoordelijke bepaling, die je bij het redekundig ontleden tegenkomt. Het enige verschil met een bijwoordelijke bepaling, is dat een bijwoord bij het taalkundig ontleden altijd maar uit één woord kan bestaan. Bij het redekundig ontleden kan het natuurlijk ook voorkomen dat je een bijwoordelijke bepaling hebt die uit maar één woord bestaat. Die blijf je dan gewoon bijwoordelijke bepaling noemen. Ben je diezelfde zin taalkundig aan het ontleden, noem je dit woord geen bijwoordelijke bepaling, maar een bijwoord. Het ligt er dus maar net aan op welke manier je aan het ontleden bent.

Een woord kan om een flink aantal redenen een bijwoord zijn. Die redenen, of soorten bijwoorden zal ik hieronder stuk voor stuk behandelen.

Om de volgende redenen kan een woord tot een bijwoordelijke bepaling worden gerekend:

1. Er wordt een plaats of tijd aangeduid.

2. Er wordt iets gezegd over een werkwoord.

3. Er wordt iets gezegd over een bijvoeglijk naamwoord.

4. Er wordt iets gezegd over een ander bijwoord.

5. Je hebt te maken met een ‘restwoord’.

6. Er wordt antwoord gegeven op ‘restvragen’.

De bijwoord heeft voor een groot deel te maken met extra informatie die gegeven wordt. Ook wordt er bij een bijwoord vaak iets gezegd over een ander woord zoals je ziet.

Dan volgt nu de uitleg per categorie:

1. Er wordt een plaats of tijd aangeduid (bijwoord van plaats of tijd).

Plaats met één woord aangeduid: ‘hier’, ‘daar’, ‘er’, ‘waar’ (niet te verwarren met het vragend voornaamwoord).

Tijd met één woord aangeduid: ‘nu’, ‘straks’, ‘later’, ‘dan’ (als in ‘Pas dan mag je ingrijpen’), ‘gisteren’, ‘morgen’, ‘vandaag’, ‘zo’ (als in: ‘Ik ga zo weg’), ‘vanavond’, ‘vanmorgen’, ‘vanmiddag’, ‘toen’, etc.

Nu wat voorbeeldzinnen waar de onderstreepte woorden bijwoorden zijn:

Plaats:Hier mag men roken.”

Tijd: Vanochtend maakte ik mijn ontbijt klaar.”

2. Er wordt iets gezegd over een werkwoord.

De onderstreepte woorden zijn bijwoorden:

“Linda kan hard rennen.” (‘hard’ zegt iets over ‘rennen’)

“Mijn buurman dacht diep na.” (‘diep’ zegt iets over ‘nadenken’)

Enthousiast vertelt hij een verhaal.” (‘Enthousiast’ zegt iets over ‘vertellen’)

“Een goede juwelier werkt precies.” (‘precies’ zegt iets over ‘werken’)

3. Er wordt iets gezegd over een bijvoeglijk naamwoord.

De onderstreepte woorden zijn bijwoorden:

“Dat kasteel is ontzettend oud.” (‘ontzettend’ zegt iets over ‘oud’)

“Je hebt een erg lekkere taart gebakken!” (‘erg’ zegt iets over ‘lekkere’)

“Die poolwind is heel koud.” (‘heel’ zegt iets over ‘koud’)

“Peter vertelde een erg grappige mop.” (‘erg’ zegt iets over ‘grappige’)

4. Er wordt iets gezegd over een bijwoord.

De onderstreepte woorden zijn bijwoorden:

“Haar neefje kan heel goed liegen.” (‘heel’ zegt iets over ‘goed’ | ‘goed’ is een bijwoord, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘liegen’)

“Die man loopt erg eigenaardig.” (‘erg’ zegt iets over ‘eigenaardig’ | ‘eigenaardig’ is een bijwoord, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘lopen’)

“Hij speelt erg mooi gitaar.” (‘erg’ zegt iets over ‘mooi’ | ‘mooi’ is een bijwoord, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘spelen’)

“Dat meisje gedraagt zich zeer vervelend.” (‘zeer’ zegt iets over ‘vervelend’ | ‘vervelend’ is een bijwoord, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘zich gedragen’)

5. Je hebt te maken met een ‘restwoord’.

‘Restwoorden’ zijn vanzelfspreken woorden waar je eigenlijk niets mee kunt: ze vallen meestal wel in een bepaalde categorie, maar daarvan zijn er vrij veel, dus ik raad het je niet aan deze allemaal te onthouden.

Valt een bijwoord dus niet in categorie 1 t/m 4, kun je er vanuit gaan dat je te maken hebt met een ‘restwoord’ of met een ‘restvraag’ (categorie 5 en 6).

Hieronder wat voorbeeldzinnen. De onderstreepte woorden zijn ‘restwoorden’, dus bijwoorden:

“Ik koop nooit koekjes.”

“Dat weet ik eigenlijk niet.”

“Hij heeft geen geld meer.”

Anders doe ik de deur wel open.”

6. Er wordt antwoord gegeven op ‘restvragen’.

Afgeleid van het redekundig ontleden, zijn de ‘restvragen’ vragen die buiten de ‘normale’ vragen vallen. De ‘normale’ vragen die je zoal stelt zijn: Wie…? Wat…? Aan wie…? Voor wie…? Laten we dit de standaardvragen noemen.

Alle andere vragen kun je stellen bij het vinden van het bijwoord: Hoe…? Waar…? Waarom…? Wanneer…? Hoelang…? Waarheen…? Waarmee…? Laten we dit ‘restvragen’ noemen.

Houd je bij het ontleden dus woorden over en vallen deze niet in categorie 1 t/m 5 (zie bovenstaande puntenlijst), is de kans heel groot dat deze woorden letterlijk een antwoord zijn op restvragen.

Hier volgen een paar voorbeeldzinnen. De onderstreepte woorden zijn bijwoorden die antwoord geven op restvragen:

Zo ben ik drie weken door Korea gereisd.” (Hoe? Antwoord: Zo!)

“En daarom lijkt het mij goed de contributie niet te verhogen.” (Waarom? Antwoord: daarom! | ‘Goed’ en ‘niet’ zijn ook bijwoorden, maar geven niet direct antwoord op een restvraag)

Straks gaat de klok een uur vooruit.” (Wanneer? Antwoord: Straks!)

“Ik vind het hier helemaal niet gezellig meer” (Waar? Antwoord: hier! |’niet’ en ‘meer’ zijn ook bijwoorden, maar geven niet direct antwoord op een restvraag)