Bij het redekundig ontleden heb je te maken met een bijvoeglijke bepaling en bij het taalkundig ontleden heb je te maken met het bijvoeglijk naamwoord. Voor beide termen zijn de regels precies hetzelfde. Snap je het één, dan snap je dus ook het ander! Een bijvoeglijk naamwoord zegt altijd iets van een zelfstandig naamwoord. Het kan er zowel voor als achter staan en er kunnen meerdere bijvoeglijke naamwoorden in een zin staan. Bijvoeglijke naamwoorden zijn ook altijd eigenschappen van de betreffende zelfstandige naamwoorden.

Een paar voorbeeldzinnen:

"Als m'n laatste loon gestort is, kan ik eindelijk die gave auto kopen." ('gave' is een bijvoeglijk naamwoord | 'laatste' is geen bijvoeglijk naamwoord, maar een onbepaald rangtelwoord)

"Renske is mooi, jong, intelligent en sociaal." (alle onderstreepte woorden zeggen iets over 'Renkse': het zijn ook allemaal eigenschappen van haar, dus allemaal bijvoeglijke naamwoorden)

"Vallende sterren schieten heel snel voorbij!" ('Vallende' is een bijvoeglijk naamwoord, want het zegt iets van 'sterren' | 'snel' is geen bijvoeglijk naamwoord, maar een bijwoord, omdat het iets zegt van het werkwoord 'schieten' | 'heel' is ook een bijwoord, omdat het iets zegt van het bijwoord 'snel')

"De lange slungel deed er uren over om juiste kleren te vinden voor dat speciale feest." (alle onderstreepte woorden zijn bijvoeglijke naamwoorden, omdat ze respectievelijk iets zeggen van 'slungel', 'kleren' en 'feest')