Een betrekkelijk voornaamwoord slaat altijd op iets of iemand terug. Dat kan één woord zijn, maar ook een hele zin. Het heeft dus betrekking op iets wat eerder in de zin is gezegd. Een betrekkelijk voornaamwoord staat altijd achter datgene waar het op terugslaat. Voorbeelden van mogelijke betrekkelijke voornaamwoorden zijn: ‘die’, ‘dat’, ‘wie’, ‘wat’, ‘welke’, ‘hetwelk’, ‘hetgeen’.

Een paar voorbeelden; de onderstreepte woorden zijn betrekkelijke voornaamwoorden:

“Het meisje dat haar naam in mijn hand schreef, is mijn buurmeisje.” (‘dat’ staat achter datgene waar het op terugslaat: ‘het meisje’ en is daarom een betrekkelijk voornaamwoord.)

“Van mijn moeder mochten we nooit tv kijken, wat wij erg vervelend vonden.” (‘wat’ staat achter de zin waar het op terugslaat: ‘Van mijn moeder mochten we nooit tv kijken’ en is daarom een betrekkelijk voornaamwoord.)

“Degene van wie ik nog geld krijg, is steeds niet thuis.” (‘wie’ staat achter datgene waar het op terugslaat: ‘degene’ en is daarom een betrekkelijk voornaamwoord | het niet-onderstreepte ‘Degene’ is hier een aanwijzend voornaamwoord.)

“Sinds een week heeft de KLM al haar tarieven verhoogd, hetgeen ik niet echt kan waarderen.” (‘hetgeen’ staat achter de zin waar het op terigslaat: ‘Sinds een week heeft de KLM al haar tarieven verhoogd’ en is daarom een betrekkelijk voornaamwoord.)