De vijfde groep woordsoorten is de groep van de telwoorden: Bij telwoorden gaat het altijd om een aantal of hoeveelheid, dus nooit om mensen, dingen of dieren. Je kunt met een telwoord wel een aantal mensen, dingen of dieren bedoelen, maar dan gaat het nog steeds om het aantal en niet om iets anders!

In het Nederlands schrijf je getallen tot en met twaalf voluit. Ook de ronde getallen boven de twaalf schrijven we voluit: ‘twintig’, ‘veertig’, ‘honderd’, ‘duizend’. Alle andere getallen boven de twaalf schrijven we als cijfers: 23, 46, 112, 1017.

Er zijn vier soorten telwoorden:

  1. Een telwoord waarbij precies duidelijk is om welk aantal het gaat. Omdat dit precieze aantal zo duidelijk is, noemen we dit soort telwoorden bepaalde hoofdtelwoorden. De hoeveelheid is van tevoren ‘bepaald’ zou je kunnen zeggen.
  2. Een telwoord waarbij niet precies duidelijk is om welk aantal het gaat. Omdat dit precieze aantal vaag blijft, dus niet helemaal duidelijk is, noemen we dit een onbepaald hoofdtelwoord.
  3. Een telwoord waarbij precies duidelijk is om welke rang het gaat. Dit noemen we een bepaald rangtelwoord.
  4. Een telwoord waarbij niet precies duidelijk is om welke rang het gaat. Dit noemen we een onbepaald rangtelwoord

Als in een bepaalde zin wordt gesproken over een bepaald aantal en je weet precies om hoeveel het gaat, heb je te maken met een bepaald hoofdtelwoord. Voorbeelden hiervan zijn:

één, twee, drie, zestig, miljoen, anderhalf

Een paar voorbeelden. De bepaalde hoofdtelwoorden zijn onderstreept:

“Er waren vandaag maar vier mensen op mijn achttiende verjaardag.” (‘achttiende’ is een bepaald rangwelwoord.)

“Met maar twee zessen en de rest negens, slaagde hij voor zijn diploma.” ( ‘zessen’ en ‘negens’ zijn hier zelfstandige naamwoorden: je kunt er een lidwoord voor zetten!)

“In totaal hebben wel dertig teams in dit toernooi meegespeeld.”