De vierde groep woordsoorten is de groep van het aanwijzend, betrekkelijk en vragend voornaamwoord. Deze drie staan in één groep, omdat woorden als 'wat' en 'dat' verspreid kunnen zijn onder deze drie woordsoorten. Dat kan erg verwarrend zijn als je niet precies weet waar het bij elk van deze woordsoorten nu eigenlijk om draait. Het is daarom belangrijk dat je de essentie begrijpt van elk woordsoort. Let daarbij vooral op de naam van het woordsoort! Deze namen zeggen in dit geval precies wat de essentie is! Hieronder volgt de uitleg per woordsoort:

Een aanwijzend voornaamwoord wijst altijd iets of iemand aan. Een aanwijzend voornaamwoord staat altijd vóór datgene wat het aanwijst. Voorbeelden van mogelijke aanwijzende voornaamwoorden zijn: 'die', 'dat', 'dit', 'deze', 'degene', 'diegene', 'datgene', 'zulk', 'zulke', 'zulken', 'zo'n'.

Een paar voorbeelden; de onderstreepte woorden zijn aanwijzende voornaamwoorden:

"Dat schilderij vind ik het mooist." ('Dat' wijst het 'schilderij' aan en 'Dat' staat er ook vóór, dus is dit een aanwijzend voornaamwoord.)

"Het schilderij dat ik het mooist vind." (het niet-onderstreepte 'dat' is in deze zin geen aanwijzend voornaamwoord, maar een betrekkelijk voornaamwoord, omdat het achter het 'schilderij' staat en terugslaat op 'schilderij'.)

"Die school heeft een ontzettend slechte naam." ('Die' wijst 'school' aan en staat er ook vóór, dus is het in dit geval een aanwijzend voornaamwoord.)

"De school die een ontzettend slechte naam heeft." (het niet-onderstreepte 'die' staat hier achter 'school' en niet ervoor. Het is daarom geen aanwijzend voornaamwoord, maar een betrekkelijk voornaamwoord: 'die' slaat terug op 'school'.)

"Zulke praatjes kun je beter voor je houden." ('Zulke' staat hier vóór het aangewezen 'praatjes' en is daarom een aanwijzend voornaamwoord.)