Aanwijzend voornaamwoord (1/3)
Een aanwijzend voornaamwoord wijst altijd iets of iemand aan. Een aanwijzend voornaamwoord staat altijd vóór datgene wat het aanwijst. Voorbeelden van mogelijke aanwijzende voornaamwoorden zijn: ‘die’, ‘dat’, ‘dit’, ‘deze’, ‘degene’, ‘diegene’, ‘datgene’, ‘zulk’, ‘zulke’, ‘zulken’, ‘zo’n’.
Een paar voorbeelden; de onderstreepte woorden zijn aanwijzende voornaamwoorden:
“Dat schilderij vind ik het mooist.” (‘Dat’ wijst het ‘schilderij’ aan en ‘Dat’ staat er ook vóór, dus is dit een aanwijzend voornaamwoord.)
“Het schilderij dat ik het mooist vind.” (het niet-onderstreepte ‘dat’ is in deze zin geen aanwijzend voornaamwoord, maar een betrekkelijk voornaamwoord, omdat het achter het ‘schilderij’ staat en terigslaat op ‘schilderij’.)
“Die school heeft een ontzettend slechte naam.” (‘Die’ wijst ‘school’ aan en staat er ook vóór, dus is het in dit geval een aanwijzend voornaamwoord.)
“De school die een ontzettend slechte naam heeft.” (het niet-onderstreepte ‘die’ staat hier achter ‘school’ en niet ervoor. Het is daarom geen aanwijzend voornaamwoord, maar een betrekkelijk voornaamwoord: ‘die’ slaat terug op ‘school’.)
“Zulke praatjes kun je beter voor je houden.” (‘Zulke’ staat hier vóór het aangewezen ‘praatjes’ en is daarom een aanwijzend voornaamwoord.)
Recente Reacties