Eén van de meest voorkomende taalfouten is het foutief gebruik van ‘me’. Voorbeelden hiervan zijn “Me moeder”, “Me vriend”, “Me oma” en ga zo maar door. Het mag duidelijk zijn dat bij dit probleem de ‘persoon’ en het ‘bezit’ door elkaar wordt gehaald.

Wanneer gebruik je me?

Het woordje ‘me’ gebruik je als dat verwijst naar jezelf. Het gaat hierbij niet om bezit!

Goed: “Ik was me elke dag.” (me = persoon/jezelf)

Goed: “Wil je me de telefoon even aangeven?” (me = persoon/jezelf)

Fout: “Ik was me oma elke dag.” (me = bezit, het is jouw oma | Juist is: “m’n/mijn oma”)

Fout: “Waar is me telefoon gebleven?” (me = bezit, het is jouw telefoon | Juist is: “m’n/mijn telefoon”)

Wanneer gebruik je m’n en mijn?

Deze twee woordjes betekenen precies hetzelfde. Over het algemeen kun je zeggen dat mijn beter past bij zakelijke taal en m’n wat losser overkomt tijdens de communicatie.

Als je een bezit wilt aanduiden gebruik je m’n en mijn:

Goed: “M’n moeder heeft het al weken over vroeger.”

Goed: “Mijn coach vindt dat ik een natuurtalent ben.”

Fout: “Ik schaam m’n diep.” (een verleidelijke vraag is dan: “Je wat?” | Juiste is: ” me/mij diep.”)

Fout: “Een uur geleden is me fiets gestolen.” (het gaat hier om bezit, dus mijn of m’n | Juiste is: “m’n/mijn fiets” )