Het werkwoord liggen heeft als hoofdbetekenissen ‘uitgestrekt, uitgespreid zijn’ en ‘zich bevinden’.

Het overgankelijke werkwoord leggen heeft als hoofdbetekenis ‘doen liggen’ en heeft altijd een lijdend voorwerp bij zich.

(1)   Zijn voetbalschoenen liggen in de hoek van de kleedkamer.

(2)   Zij leggen hun kleren op een hoop.

Vooral in het westen van Nederland vallen de werkwoorden liggen en leggen in het taalgebruik van veel sprekers gedeeltelijk samen: in beide gevallen worden in de tegenwoordige tijd de vormen van leggen gebruikt. In de verleden tijd wordt het onderscheid tussen legden en lagen gehandhaafd, maar het voltooid deelwoord van leggen is weer gelijk aan dat van liggen: gelegen in plaats van gelegd in de standaardtaal (vooral in de vorm neerleggenneergelegen).

(3)   Hun ouders zitten onder de parasol, terwijl zij op het strand leggen te zonnen. (in Nederland, geen standaardtaal)

(4)   Waar heb ik dat toch neergelegen? (in Nederland, geen standaardtaal)

Dit gebruik wordt over het algemeen beschouwd als onverzorgd en plat, en verdient dan ook geen aanbeveling, ook niet in informele spreektaal.

Bron: taaladvies.net