Kennen (‘vindt plaats in je hoofd’)

Heeft als hoofdbetekenissen ‘onderscheiden, herkennen’ en ‘bekend, vertrouwd zijn met’ en wordt daarnaast onder andere ook gebruikt in de betekenis ‘door studie of oefening geleerd hebben’, ‘beheersen’.

Kunnen (‘kun je doen’)

heeft als hoofdbetekenissen ‘mogelijk zijn’, ‘in staat zijn’. De betekenissen van beide werkwoorden zijn dus nauw aan elkaar verwant. Kennen heeft echter als overgankelijk werkwoord altijd een lijdend voorwerp bij zich.

(1) Ik heb hem wel eens ontmoet, maar ik ken hem niet goed.

(2) Hij heeft flink zijn best gedaan en kent zijn les.

Kunnen is daarentegen een hulpwerkwoord en wordt gecombineerd met een infinitief.

(3) Ze kunnen wel verdwaald zijn.

(4) Hij kan dansen als een edelman.

Vooral in het westen van Nederland worden beide werkwoorden door veel taalgebruikers met elkaar vermengd, waarbij vormen van de tegenwoordige tijd van kennen gebruikt worden in de betekenis van kunnen en vormen van (meestal de verleden tijd van) kunnen in de betekenis van kennen (dus kon(den) in plaats van ken(den)).

(5) Dat ken jij wel zeggen, maar ik geloof het toch niet. (in Nederland, geen standaardtaal)

(6) Ken het zijn dat ik u kan? (in Nederland, geen standaardtaal)

(7) Hij deed net alsof hij haar al jaren kon. (in Nederland, geen standaardtaal)

Aangezien dit gebruik over het algemeen wordt veroordeeld als onverzorgd en plat, verdient het beslist geen aanbeveling, ook niet in informele spreektaal.

Bron: taaladvies.net