De meest praktische regels bij het gebruik van hun of hen zijn de volgende:

Hen gebruik je als het om personen gaat.

Hun gebruik je als het om een bezit gaat en als je het kunt vervangen door een voorzetsel + hen.

"Ik laat die beslissing aan hen over." (met 'hen' worden personen bedoeld)

"Dat is hun oplossing." ('hun' geeft hier een bezit aan)

"De buurman geeft hun een klusje." ('hun' kan vervangen worden door 'aan hen' | met deze 'hun' worden dus eigenlijk ook personen bedoeld, maar in dit geval alleen omdat je dat kunt vervangen door 'aan hen')

De bovenstaande drie regels zijn niet waterdicht, maar zullen je in bijna alle gevallen goed helpen. Wil je gedetailleerder weten hoe het zit, kijk dan hieronder:

Hun gebruik je als het om een bezit gaat:

"Het is hun huis."

"Hun vakantie was erg plezierig."

Hun gebruik je als je het kunt vervangen door een voorzetsel + hen. Voorbeelden van voorzetsels zijn: op, aan, voor, bij, van, onder, volgens, met, tot, etc.)

"Ik geef hun een compliment." of: "Ik geef aan hen een compliment." (hun = aan hen)

"Zeeland is hun te ver." of: "Zeeland is voor hen te ver." (hun = voor hen)

Hen gebruik je na een voorzetsel:

"Wil je met hen verder?"

"Voor hen wil ik dat wel doen."

Hen gebruik je als het een een lijdend voorwerp is:

"Wij verrassen hen."

"M'n vader bewondert hen."