De regels van de werkwoordspelling worden vaak verkeerd toegepast. De regels op zich worden meestal wel begrepen, maar veel mensen weten niet wanneer nu welke regel moet worden toegepast. Hieronder wordt stap voor stap beschreven hoe de werkwoordspelling in z'n werk gaat.

Onze werkwoordspelling kent twee regels:

1) De regel ik-vorm + t

2) De regel 't exkofschip (of xtc-koffieshop)

 

Bij de werkwoordspelling hebben we met drie verschillende tijden te maken:

a) De tegenwoordige tijd (hier hebben we het over het 'nu'; er staat minimaal één werkwoord in de zin)

"Peter loopt op straat."

b) De verleden tijd (hier hebben we het over dat wat geweest is; er staat minimaal één werkwoord in de zin)

"Mijn zus antwoordde nogal chagrijnig."

c) De voltooide tijd (er staan minimaal twee werkwoorden in de zin, waarvan één een voltooid deelwoord is)

"Peter heeft op straat gelopen."

"Mijn zus heeft nogal chagrijnig geantwoord."

 

Welke regel hoort bij welke tijd?

In de tegenwoordige tijd gebruik je de regel ik-vorm + t

In de verleden tijd gebruik je de regel 't exkofschip

In de voltooide tijd gebruik je vaak beide regels. In deze tijd heb je namelijk te maken met minimaal twee werkwoorden. Daarom pas je dus op het ene werkwoord (de persoonsvorm of hulpwerkwoord) vaak de regel ik-vorm + t toe en op het andere werkwoord (het voltooid deelwoord) de regel 't exkofschip.

Voordat je aan de gang gaat met t'tjes en d'tjes, is het dus van essentieel belang dat je kunt zien of een zin uit één of twee werkwoorden bestaat, want dat heeft direct te maken met de keuze van de juiste regel die je moet toepassen.

Hoe werken deze twee regels?

1) De regel ik-vorm + t werkt als volgt: als je problemen ondervindt met de spelling van een bepaald werkwoord in de tegenwoordige tijd, pas je deze regel toe. Je begint dan met het vinden van de ik-vorm van het betreffende werkwoord. Die vind je door -en van het hele werkwoord af te halen:

Vinden – vind

Gebeuren – gebeur

Vertellen – vertel

Antwoorden – antwoord

De ik-vorm heb je nu gevonden en hier kun je nu een 't' achter plakken. Je mag er niet altijd een 't' achter plakken, maar alleen als je te maken hebt met één van de volgende persoonlijke voornaamwoorden:

je, jij

hij, zij

u, het

Dit gaan we toepassen op de bovenstaande voorbeelden:

Goed: "Je vindt die jongen volgens mij erg aardig."

Goed: "Het gebeurt wel vaker."

Goed: "Hij vertelt altijd zo graag over zijn avonturen."

Goed: "U antwoordt zo snel mogelijk."

Fout: "Ik vindt je nogal opvliegend vandaag."

Fout: “Vindt je me nog wel aardig?”

Let op: deze zinnen staan allemaal in de tegenwoordige tijd en bevatten allen maar één werkwoord!

2) De regel 't exkofschip

Deze regel gebruik je zowel in de verleden tijd als in de voltooide tijd. In de verleden tijd gebruik je deze regel om erachter te komen of een werkwoord met -de, -den, -te, of -ten wordt geschreven. In de voltooide tijd gebruik je de regel 't exkofschip om erachter te komen of het voltooid deelwoord eindigt op een -d of een -t.

Hieronder zal ik eerst laten zien hoe je dit aanpakt in de verleden tijd en daarna laat ik zien hoe het werkt in de voltooide tijd.

 

De verleden tijd

De regel 't exkofschip gebruik je in de verleden tijd alleen bij zwakke werkwoorden. Dat zijn werkwoorden die bij verandering van tijd niet van klank veranderen. Werkwoorden als 'vinden', 'zwemmen', 'zijn', 'worden', 'blijven' zijn dus voor ons op dit moment niet interessant, want dat zijn sterke werkwoorden die van klank veranderen als je de tijd verandert. Kijk maar: vind/vond – zwem/zwom – zijn/was – word/werd – blijf/bleef.

We richten ons dus alleen op de zwakke werkwoorden bij het gebruik van de regel 't exkofschip:

mix/mixte – verf/verfde – verhuis/verhuisde – antwoord/antwoordde – verwacht/verwachtte – passen/paste

De grote vraag is dan altijd of het nu 'mixte' of 'mixde' is. Is het nu 'verfde' of 'verfte', 'verhuisde' of 'verhuiste', 'antwoorde' of 'antwoordde',  'verwachte' of 'verwachtte' en 'pastte' of 'paste'.

Daar kun je op de volgende manier achter komen:

Je neemt de stam van het betreffende zwakke werkwoord door -en van het hele werkwoord af te halen. Gebruik nooit de ik-vorm, want dan kom je in de problemen bij werkwoorden als 'verven' en 'verhuizen', waar de 'v' dan een 'f' wordt en de 'z' een 's'.

mixen – mix

verven – verv

verhuizen – verhuiz

antwoorden – antwoord

verwachten – verwacht

passen – pas (bij twee dezelfde medeklinkers heb je er maar eentje nodig voor de juiste klank)

Je let hierbij op de laatste letter van de stam, want die letter bepaalt of in de verleden tijd -de, -den, -te, of -ten wordt geschreven. Komt de laatste letter van de stam voor in het woord 't exkofschip (hierbij tellen alleen de medeklinkers t, x, k, f, s, c, h, p), dan schrijf je het werkwoord met -te, of -ten. Komt de laatste letter van de stam niet voor in 't exkofschip, schrijf je het werkwoord met -de, of -den.

De vervoegingen -te en -de gebruik je als je te maken hebt met enkelvoudige personen als ik, je, jij, hij, ze, zij, het, u. De vervoegingen -ten en  -den gebruik je als je te maken hebt met meervoudige personen als we, wij, jullie, ze (meervoud), zij (meervoud).

Als voorbeeld zetten we de bovenstaande werkwoorden in de juiste verleden tijd:

mixen – mix: de 'x' komt wel voor in 't exkofschip, dus schrijf je 'mixte', of 'mixten' (bij meervoud)

verven – verv: de 'v'komt niet voor in 't exkofschip, dus schrijf je 'verfde' of 'verfden' (bij meervoud)

verhuizen – verhuiz: de 'z' komt niet voor in 't exkofschip, dus schrijf je 'verhuisde' of 'verhuisden' (bij meervoud)

antwoorden – antwoord: de 'd' komt niet voor in 't exkofschip, dus schrijf je 'antwoordde' of 'antwoordden' (bij meervoud)

verachten – verwacht: de 't' komt wel voor in 't exkofschip, dus schrijf je 'verwachtte' of 'verwachtten' (bij meervoud)

Dus:

Goed: "Ik verwachtte je nog niet zo vroeg."

Fout: "Ik verwachte je nog niet zo vroeg."

Goed: "Dat jullie verhuisden wist ik niet."

Fout: "Dat jullie verhuisde wist ik niet."

Fout: "Dat jullie verhuisten wist ik niet."

Dit was de uitleg die hoorde bij de verleden tijd. Dan volgt nu de uitleg voor het gebruik van de regel 't exkofschip in de voltooide tijd:

 

De voltooide tijd

Heb je in een zin te maken met twee bij elkaar passende werkwoorden, dan is er sprake van een voltooide tijd: één werkwoord staat dan in de tegenwoordige of verleden tijd, het andere werkwoord staat in de voltooide tijd (het voltooid deelwoord).

Op het ene werkwoord pas je dus de regel ik-vorm + t toe (bij tegenwoordige tijd) of 't exkofschip (bij verleden tijd). Dit laatste geldt alleen voor zwakke werkwoorden, want je gebruikt de 't exkofschipregel alleen bij zwakke werkwoorden. Meer over het verschil tussen sterke en zwakke werkwoorden…

Op het andere werkwoord (het voltooid deelwoord) pas je de regel 't exkofschip toe om er achter te komen of die op een -t of een -d eindigt.

"Je wordt daar om acht uur verwacht." (wordt = sterk (ik-vorm + t), verwacht = voltooid deelwoord ('t exkofschip)

"Zijn jullie al verhuisd?" (zijn = sterk (geen regel), verhuisd = voltooid deelwoord ('t exkofschip)

"Heb je dat gezien?" (heb = sterk (geen regel), gezien = voltooid deelwoord ('t exkofschip)

"Peter heeft zijn fiets gerepareerd." (heeft = sterk (geen regel), gerepareerd = voltooid deelwoord ('t exkofschip)

"Wat is daar gebeurd?" (is = sterk (geen regel), gebeurd = voltooid deelwoord ('t exkofschip)

Let wel op dat je je richt op de twee werkwoorden die ook bij dezelfde zin horen. Het kan namelijk ook zijn dat een zin uit twee zinnetjes bestaat. De werkwoorden van deze twee kleine zinnetjes kunnen afzonderlijk van elkaar in een andere tijd staan. Kijk maar:

"Ik heb je zo vroeg nog niet verwacht, maar dat maakt niet uit voor deze keer." (de zin voor de komma staat in voltooide tijd, want die bevat twee werkwoorden; de zin na de komma staat in tegenwoordige tijd en heeft maar één werkwoord)

"Klopt het dat jullie al zijn verhuisd?" (de zin voor 'dat' staat in de tegenwoordige tijd en heeft maar één werkwoord, de zin na 'dat' staat in de voltooide tijd, want die bevat twee werkwoorden)

"Heb je dat gezien, of moet ik het nog eens voordoen?" (de zin voor 'of' staat in de voltooide tijd, want die bevat twee werkwoorden; de zin na 'of' staat ook in de voltooide tijd, want die bevat ook twee werkwoorden)

"Peter heeft zijn fiets zelf gerepareerd, omdat zijn vader dat weigerde." (de zin voor 'omdat' staat in de voltooide tijd, want die bevat twee werkwoorden; de zin na 'omdat' staat in de verleden tijd en die bevat maar één werkwoord).

"Mijn vriendin vertrekt voorgoed naar Zuid-Afrika en ik vind dat niet leuk." (de zin voor 'en' staat in de tegenwoordige tijd en die bevat één werkwoord; de zin na 'en' staat ook in de tegewoordige tijd en die bevat ook maar één werkwoord). Zeg bij deze zin dus niet: 'Deze zin bevat twee bij elkaar passende werkwoorden, dus staat hij in de voltooide tijd. Dat klopt dus niet, omdat het hier gaat om twee afzonderlijke zinnetjes met elk hun eigen tijd.

Let dus op met hoeveel kleinere zinnetjes je te maken hebt!

De grote vraag bij de juiste spelling van het voltooid deelwoord is: eindigt het op een -t of op een -d?

Daar kun je op de volgende manier achter komen:

Je neemt de stam van het betreffende voltooid deelwoord door -en van het hele werkwoord af te halen. Gebruik nooit de ik-vorm, want dan kom je net als bij de verleden tijd in de problemen bij werkwoorden als 'verven' en 'verhuizen', waar de 'v' dan een 'f' wordt en de 'z' een 's'.

mixen – gemix

verven – geverv –

verhuizen – verhuiz

antwoorden – geantwoord

verwachten – verwacht

passen – pas (bij twee dezelfde medeklinkers heb je er maar eentje nodig voor de juiste klank)

gebeuren – gebeur

Je let hierbij op de laatste letter van de stam, want die letter bepaalt of in de voltooide tijd -d of -t wordt geschreven. Komt de laatste letter van de stam voor in het woord 't exkofschip (hierbij tellen alleen de medeklinkers t, x, k, f, s, c, h, p), dan schrijf je het werkwoord met -t. Komt de laatste letter van de stam niet voor in 't exkofschip, schrijf je het werkwoord met -d.

We nemen de bovenstaande woorden weer even als voorbeeld:

Goed: "De ingrediënten heb ik goed door elkaar gemixt." ('gemixt' is hier het voltooid deelwoord, de 'x'zit wel in 't exkofschip, dus schrijf je een 't')

Goed: "Wat heb je die muur mooi geverfd!" ('geverfd' is hier het voltooid deelwoord, de 'v' zit niet in 't exkofschip, dus schrijf je een 'd')

Goed: "Mijn oma is naar een verzorgingstehuis verhuisd." ('verhuisd' is hier het voltooid deelwoord, de 'z' zit niet in 't exkofschip, dus schrijf je een 'd')

Goed: "Heb je al geantwoord op dat e-mailtje?" ('geantwoord' is hier het voltooid deelwoord, de 'd' zit niet in 't exkofschip, dus schrijf je een 'd')

Goed: "Ik had iets heel anders van dat feest verwacht." ('verwacht' is hier het voltooid deelwoord, de 't' zit wel in 't exkofschip, dus schrijf je een 't')

Goed: "Heb je die leuke broek al gepast?" ('gepast' is hier het voltooid deelwoord, de 's' zit wel in 't exkofschip, dus schrijf je een 't')

Goed: "Op de snelweg is een ernstig ongeluk gebeurd." ('gebeurd' is hier het voltooid deelwoord, de 'r' zit niet in 't exkofschip, dus schrijf je een 'd')

Een korte samenvatting van het geheel:

Tegenwoordige tijd – ik-vorm + t

Verleden tijd – 't exkofschip (-te, -ten, -de, -den, alleen bij zwakke werkwoorden)

Voltooide tijd – ik-vorm + t en 't exkofschip (voor -t of -d)

- Steven van der Steen