Wanneer gebruik je ‘als’ en wanneer gebruik je ‘dan’?

Je gebruikt ‘als’ wanneer twee of meer zaken gelijk zijn aan elkaar:

“Petra is net zo groot als Linda.” (de lengte van Petra en Linda zijn gelijk aan elkaar)

“Het is vandaag net zo warm als gisteren.” (de temperatuur van vandaag is hetzelfde als die van gisteren)

“Mijn broer tennist net zo goed als de wereldkampioen.” (de broer en de wereldkampioen zijn beiden even goed)

Je gebruikt ‘dan’ wanneer twee of meer zaken van elkaar verschillen.

“Ans heeft een beter cijfer dan ik.” (de twee cijfers verschillen van elkaar)

“Ik ga liever naar Mexico dan naar de Noordpool.” (je vindt Mexico aantrekkelijker dan de Noordpool)

“Ze kreeg meer dan waarop ze had gerekend.” (haar verwachting verschilt van het uiteindelijke resultaat)