Mocht één van de drie vragen van het naamwoordelijk gezegde dus met ‘NEE’ zijn beantwoord, heb je te maken met een werkwoordelijk gezegde. Dan zijn simpelweg alle werkwoorden van de zin het werkwoordelijk gezegde:

“De meeste moeders zorgen goed voor hun kind.”

Hier hebben we te maken met een enkelvoudige zin met maar één werkwoord erin. Het werkwoordelijk gezegde is dan ook ‘zorgen’.

“Mijn vader snoeit de kerstboom en ik koop de kerstboomversiering.”

Hier hebben we te maken met een samengestelde zin met twee werkwoorden erin. Het voegwoordje ‘en’ plakt de twee kleinere zinnen een elkaar. Het werkwoordelijk gezegde is daarom ‘snoeit’ en ‘koopt’.

“Gisteren heb ik mijn broer met een gratis etentje verrast en daarom is hij nu blij.”

Hier hebben we te maken met een samengestelde zin. Het voegwoordje ‘en’ plakt de twee kleinere zinnen aan elkaar. In de eerste zin staat een werkwoordelijk gezegde: ‘heb verrast’ en in de tweede zin staat een naamwoordelijk gezegde: ‘is blij’. Het kan dus goed voorkomen dat je in een samengestelde zin te maken hebt met verschillende soorten gezegdes!