Taal is een belangrijke vorm van communicatie. In het onderwijs heeft taal daarom ook een belangrijke plek. In je latere beroep, maar ook daarbuiten, ben je elke dag bezig met taal.

Daarom moet je weten hoe het Nederlands in elkaar zit: wat kun je er mee? Wat kun je er niet mee? Waarom is er toch nog miscommunicatie? Natuurlijk zou deze kennis onderdeel moeten zijn van de algemene ontwikkeling, maar dat is helaas niet altijd zo.

Om dit idee op een andere manier te bekijken geef ik een voorbeeld:

“Timmerman X. heeft ontzettend veel talent, maar weet niet precies weet wat hij met al zijn gereedschap moet doen. Hij weet niet wat wel en niet kan en welk stuk gereedschap je voor welke klus moet gebruiken. Op deze manier zal hij nooit vloeiend werken, of het zal lang duren voordat hij eindelijk weet waar hij mee bezig is. Samenwerken met een collega die wél weet waar hij mee bezig is gaat daarom ook erg lastig, want de collega vindt onze timmerman maar onhandig en traag werken…”