Het voorzetselvoorwerp is in vergelijking met de vorige twee zinsdelen weer een wat ingewikkelder zinsdeel. Net als bij het naamwoordelijk gezegde vind je het voorzetselvoorwerp door eerst vragen te stellen aan (delen van) de zin en dan delen samen te voegen.

Bij het vinden van voorzetselvoorwerp doe je twee dingen: je stelt twee vragen om er achter te komen of de zin wel of geen voorzetselvoorwerp heeft. Als je die vragen hebt beantwoord ga je het eigenlijke voorzetselvoorwerp bij elkaar zoeken.

Deze twee vragen stel je aan de zin:

1. Staat er een werkwoord in de zin met een vast (of 'noodzakelijk') voorzetsel?

2. Wordt dit voorzetsel figuurlijk gebruikt?

Natuurlijk moeten beide vragen met 'JA' worden beantwoord. Is één antwoord 'NEE', dan heb je NIET te maken met een voorzetselvoorwerp.

Uitleg bij vraag 1:

Een werkwoord met een vast of noodzakelijk voorzetsel herken je door de betekenis van het betreffende werkwoord MET voorzetsel te vergelijken met de betekenis van het werkwoord ZONDER dat voorzetsel. Als die twee betekenissen van elkaar verschillen, betekent dat dus dat het voorzetsel wel erg belangrijk is voor de betekenis van het werkwoord. Je hebt dan te maken met een werkwoord met een vast of noodzakelijk voorzetsel. Kijk maar:

"Ik kan altijd op mijn vriendin rekenen."

Hier is 'rekenen' een werkwoord en 'op' een voorzetsel. Deze twee woorden worden vaak samen gebruikt als 'rekenen op'.

Nu gaan we betekenissen vergelijken:

Bij 'rekenen op' wordt bedoeld dat je op iets of iemand kunt vertrouwen.

Nu halen we het voorzetsel 'op' weg om te kijken of dit voorzetsel belangrijk is voor de betekenis:

Bij 'rekenen' wordt bedoeld dat je berekeningen uitvoert. Dit is iets totaal anders dan 'rekenen op'. Omdat je het voorzetsel 'op' hebt weggehaald, verandert de betekenis van het werkwoord dus. Je kunt bij de bovenstaande voorbeeldzin dus zeggen dat het voorzetsel 'op' hoort bij het werkwoord 'rekenen', omdat het voorzetsel 'op' erg belangrijk is voor de betekenis van 'rekenen op'.

Een ander voorbeeld:

"Als brugklasser moest ik erg wennen aan de middelbare school."

Hier staan er twee werkwoorden in de zin: 'moest' en 'wennen'. Als we naar de voorzetsels kijken, valt 'aan' op, omdat 'wennen' en 'aan' vaak samen worden gebruikt. De combinatie 'moest aan' wordt bijvoorbeeld nooit gebruikt. Het voorzetsel 'aan' hoort dan ook niet bij 'moest', maar bij 'wennen'.

Haal je het voorzetsel 'aan' weg, dan betekent 'wennen aan' nog steeds ongeveer hetzelfde als 'wennen'. Waarom is 'aan' dan toch een vast voorzetsel van 'wennen'? Dat komt omdat je  nooit zegt: 'Ik moet wennen.' Een logische vraag die daar dan op volgt, is altijd: 'Waaraan moet je dan wennen?'. Het één gaat dus in dit geval dus altijd gepaard met het ander.

Andere veel gebruikte werkwoorden met vaste voorzetsels zijn:

'Houden van', 'rekening houden met', 'twijfelen aan', 'verlangen naar'

Uitleg bij vraag 2:

Dit gaat over de vraag of het betreffende voorzetsel figuurlijk wordt gebruikt. Bij het voorbeeld van 'rekenen op' moet je je dus afvragen of 'op' in dit geval een figuurlijke betekenis heeft. Hieronder daarom zowel een figuurlijke als letterlijke betekenis van 'rekenen op':

Figuurlijk: je kunt iets van iemand verwachten

Letterlijk: je staat daadwerkelijk op je vriendin met een rekenmachine in je handen en je voert berekeningen uit.

Het lijkt me duidelijk dat bij de voorbeeldzin de figuurlijke betekenis wordt bedoeld.

Als je dus zegt: "Ik reken op een schoolbank." is dat een letterlijke betekenis, want je bent daadwerkelijk 'op' een schoolbank aan het rekenen. In dit geval heb je dus ook niet te maken met een voorzetselvoorwerp, want daarvoor zijn we alleen geïnteresseerd in de figuurlijke betekenissen.

Nu een paar voorbeelden zonder de uitgeschreven denkstappen:

De twee vragen samengevat:

Bij het beantwoorden van deze twee vragen, weet je dus alleen of je wel of geen voorzetselvoorwerp in de zin hebt staan! Alleen als je beide vragen met 'JA' kunt beantwoorden, heb je te maken met een voorzetselvoorwerp. Als dat zo is, kun je het eigenlijke voorzetselvoorwerp gaan vinden. Dat gaat zo:

Het vinden van het voorzetselvoorwerp:

Het voorzetselvoorwerp begint altijd met een figuurlijke voorzetsel (vraag 2). Dit is dus deel 1 van het voorzetselvoorwerp. Aan dit figuurlijke voorzetsel voeg je vervolgens de vraag 'waar' aan toe en het antwoord op deze vraag is het tweede en laatste deel van het voorzetselvoorwerp.

Een paar voorbeelden:

"Ik kan altijd op mijn vriendin rekenen."

Vraag 1: staat er een werkwoord met vast voorzetsel in de zin? Antwoord: 'JA', namelijk 'rekenen op'.

Vraag 2: wordt dit voorzetsel figuurlijk gebruikt? Antwoord: 'JA', want je bent niet echt 'op' je vriendin berekeningen aan het uitvoeren.

Deze zin heeft dus een voorzetselvoorwerp!

Het vinden van het voorzetselvoorwerp: het eerste deel is altijd het figuurlijke voorzetsel, dus in dit geval 'op'. Om het tweede deel te vinden, stel je de vraag 'waar' aan  'op'. Je krijgt dan: 'Waarop?'. Antwoord: 'mijn vriendin'.

Het voorzetselvoorwerp van deze zin is dus 'op mijn vriendin'.

Volgende zin:

"Als brugklasser moest ik erg wennen aan de middelbare school."

Vraag 1: 'wennen aan' (= werkwoord met vaste voorzetsel)

Vraag 2: 'aan' is inderdaad figuurlijk gebruikt, want je hangt bijvoorbeeld niet aan je middelbare school…

Het vinden van het voorzetselvoorwerp: het eerste deel is 'aan', het tweede deel is 'de middelbare school', want je vraagt 'waaraan?'.

Het voorzetselvoorwerp van deze zin is dus 'aan de middelbare school'.

Nu een zin waarbij je op het verkeerde been wordt gezet. Hier staat geen voorzetselvoorwerp in de zin:

"Op de donderdagen gaf ik altijd gitaarles."

Vraag 1: er staat wel een werkwoord in deze zin ('gaf'), maar dit werkwoord heeft geen vast voorzetsel.

Vraag 2: het enige voorzetsel in deze zin wordt inderdaad figuurlijk gebruikt!

Deze zin heeft dus geen voorzetselvoorwerp, omdat vraag 1 al met 'NEE' is beantwoord. Veel mensen zien meteen het figuurlijke voorzetsel 'op' als ze de zin lezen en denken dan meteen te maken te hebben met een voorzetselvoorwerp, dat klopt dus niet. Deze mensen zijn voorbijgegaan aan vraag 1! Dit voorzetsel is inderdaad figuurlijk gebruikt, maar hoort helemaal niet bij het werkwoord 'geven'.

'Geven' kan namelijk prima zonder voorzetsel voorkomen. Het voorzetsel 'op' is niet noodzakelijk voor de betekenis van 'geven'.