De persoonsvorm is altijd een werkwoord en je vindt de persoonsvorm door de zin in een andere tijd te zetten dan hij oorspronkelijk staat. De persoonsvorm verandert dan ook van tijd en zo kun je hem herkennen.

Voorbeelden:

"Mijn buurman slaapt altijd tot 12:30 uit." (= tegenwoordige tijd)

"Mijn buurman sliep altijd tot 12:30 uit." (= verleden tijd)

'Slaapt' verandert, dus dat is de persoonsvorm. Ook is dit het enige werkwoord van de zin.

"Jeffrey heeft gisteren een nieuwe auto gekocht."

"Jeffrey had gisteren een nieuwe auto gekocht."

'Heeft' verandert, dus dat is de persoonsvorm. In deze zin staan twee werkwoorden ('had' en 'gekocht') waarvan alleen 'had' van tijd verandert. 'Gekocht' is dus geen persoonsvorm.

Sommigen gebruiken een andere regel om de persoonsvorm te vinden, namelijk het vragend maken van de zin. De persoonsvorm komt dan automatisch vooraan te staan. Dit is een goede methode, maar werkt niet handig als je te maken hebt met zinnen die uit meerdere zinnen bestaan (samengestelde zinnen). Dan moet je namelijk twee keer een zin vragend maken en dat kan verwarrend zijn:

"Morgen ga ik iets op school presenteren, maar ik durf niet zo goed."

"Ga ik morgen iets op school presenteren, maar durf ik niet zo goed?"

Je ziet: als je te maken hebt met twee zinnen, heb je dus ook twee persoonsvormen. In feite bestaat een samengestelde zin dus bijna altijd uit meerdere persoonsvormen. Als je een zin redekundig gaat ontleden, kijk je dus eerst of je met een samengestelde zin te maken hebt, omdat die eigenlijk uit twee (of meer) zinnen bestaat. Je ontleedt dan nooit de hele zin in één keer, want daar kom je logischerwijs niet uit. Je ontleedt dan eerst de eerste zin (meestal vóór de komma of voegwoord). Als je dat hebt gedaan, ontleed je de rest van de zin na de komma. Het zou dus best zo kunnen zijn dat het gedeelte voor de komma één werkwoord bevat, terwijl de zin na de komma twee of meer werkwoorden bevat. Kijk maar:

"Piet zeilt graag, maar zijn zusje moet daar niets van hebben."

De twee kleinere zinnen van samengestelde zinnen kunnen dus onafhankelijk van elkaar allerlei werkwoorden (en ook andere zinsdelen) bevatten.