Nu heb je al twee zinsdelen gevonden (persoonsvorm en onderwerp) en ga je kijken of de zin een naamwoordelijk gezegde heeft. Het andere, werkwoordelijke, gezegde is veel eenvoudiger te vinden dan het naamwoordelijk gezegde. Waarom dan niet eerst het werkwoordelijk gezegde zoeken?

Werkwoorden kunnen er samen soms uitzien als werkwoordelijk gezegde, terwijl het om een naamwoordelijk gezegde gaat. Om er simpelweg dus niet in te stinken, zoek je eerst naar het naamwoordelijk gezegde, dan weet je zeker dat je het bij het juiste eind hebt.

Het moeilijke bij het vinden van het naamwoordelijk gezegde is dat je o.a. kennis nodig hebt die hoort bij het taalkundig ontleden. Je moet bij het naamwoordelijk gezegde dus eigenlijk op twee manieren ontleden (redekundig en taalkundig) en dat kan verwarrend zijn.

Om erachter te komen of een zin een naamwoordelijk gezegde heeft, stel je altijd ’de drie vragen’. Om vervolgens het naamwoordelijk gezegde op te schrijven, moet je de twee delen samenvoegen waaruit het naamwoordelijk gezegde bestaat: het werkwoordelijk deel en het naamwoordelijk deel.

Dat zijn dus twee belangrijke stappen. die je bij het vinden van het naamwoordelijk gezegde altijd moet uitvoeren.

De drie vragen

Als je klaar bent om het naamwoordelijk gezegde te vinden, stel je aan de betreffende zin de onderstaande drie vragen:

Vraag 1: Staat er een vorm van één van de negen koppelwerkwoorden in de zin?

Vraag 2: Gaat het in de zin om een ‘toestand’ (ook wel: eigenschap)?

Vraag 3: Wordt er in de zin iets over het onderwerp gezegd?

Deze vragen stel je alleen om erachter te komen of je wel of geen naamwoordelijk gezegde in de zin hebt staan. Elk van de drie vragen moet je met ‘JA’ kunnen beantwoorden. Als ook maar één vraag met ‘NEE’ beantwoord wordt, heb je GEEN naamwoordelijk gezegde, maar een werkwoordelijk gezegde. Is het antwoord op vraag 1 ‘NEE’, kun je meteen stoppen met vragen, want dan weet je al dat je te maken hebt met een werkwoordelijk gezegde. De drie vragen licht ik hieronder toe:

Vraag 1: bij deze vraag heb je kennis nodig van het taalkundig ontleden. Je moet namelijk weten en herkennen wat een koppelwerkwoord is. In totaal zijn er negen koppelwerkwoorden:

zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, vóórkomen

Dit zijn allemaal hele werkwoorden, maar koppelwerkwoorden kunnen ook vervoegingen zijn van deze negen koppelwerkwoorden. Als ik het woord ‘zijn’ er even uitpak, kunnen de volgende woorden dus ook koppelwerkwoorden zijn:

is, was, geweest, ben, waren

Deze komen allemaal van het woord ‘zijn’. Hetzelfde geldt voor de andere acht koppelwerkwoorden. Woorden als ‘werd’ , ‘gebleven’, ‘leek’ en ‘bleek’ kunnen dus ook allemaal koppelwerkwoorden zijn.

In de volgende zinnen zijn de koppelwerkwoorden onderstreept:

“Peter is al heel lang ziek.” (‘ziek zijn’ kun je niet doen; ‘ziek’ is een eigenschap van ‘Peter’)

“Onze nieuwe juf blijkt heel aardig te zijn.” (dat iets ‘blijkt’ is kun je niet doen; ‘aardig’ is een eigenschap/toestand van ‘Onze nieuwe juf’)

“Mijn oma wordt morgen honderd jaar!” (‘honderd jaar worden’ is geen handeling of activiteit en kun je dus niet doen; het ‘honderd worden’ is een eigenschap/toestand van ‘Mijn oma’)

In de volgende zinnen zitten geen koppelwerkwoorden, maar werkwoorden die een handeling of actie uitdrukken:

“Vorig jaar schaatste je erg goed.” (‘schaatsen’ kun je doen)

“Veel mensen kijken wel eens tv.” (‘kijken’ kun je doen)

“Een beter milieu begint bij jezelf.” (‘beginnen’ kun je doen)

Zoals je ziet maak ik onderscheid tussen eigenschap/toestand en handeling/actie. De werkwoorden van een zin vallen altijd in één van deze twee categorieën. Dit heeft alles te maken met vraag twee:

Vraag 2: Als vraag 1 met ‘JA’ is beantwoord en je dus een koppelwerkwoord in de zin hebt gevonden, stel je vraag 2: ‘Gaat het in de zin om een eigenschap (ook wel: toestand)? Als je vraag 1 met ‘NEE’ hebt beantwoord, heb je dus te maken met een werkwoordelijk gezegde.

Wat voor ons bij het naamwoordelijk gezegde dus interessant is, is als iets een eigenschap ofwel toestand is. Wat wordt daar precies mee bedoeld? Eigenschappen zeggen vaak iets over het onderwerp: ‘Zieke Peter’, ‘Aardige juf’, ‘Honderdjarige oma’. Eigenschappen of toestanden kun je ook nooit uitvoeren: je kunt niet de handeling ‘ziek zijn’ uitvoeren, je kunt niet de handeling ‘honderd worden’ uitvoeren en je kunt de handeling ‘blijken aardig te zijn’ ook niet uitvoeren.

Daartegenover staan werkwoorden die wel uit te voeren zijn: ‘schaatsen’ kun je prima uitvoeren, net als ‘kijken’ en ‘beginnen’. Deze werkwoorden zijn echter niet interessant voor het naamwoordelijk gezegde, maar het is erg belangrijk om het verschil te kunnen zien tussen eigenschap/toestand en handeling/actie.

Vraag 3: Als laatste vraag wil je weten of in de zin iets wordt gezegd over het onderwerp. In de zin:

“Peter is al heel lang ziek.”, zegt ‘ziek’ bijvoorbeeld iets over ‘Peter’.

In de zin “Onze nieuwe juf blijkt heel aardig te zijn.”, zegt ‘aardig’ iets over ‘Onze nieuwe juf’.

In de zin “Mijn oma wordt morgen honderd jaar!”, zegt ‘honderd jaar’ iets over ‘Mijn oma’.

De drie vragen samenvattend

Als je bij de eerste voorbeeldzin dan alle antwoorden op een rij zet, zie je het volgende:

“Peter is al heel lang ziek.”

Vraag 1: Staat er een koppelwerkwoord in de zin? Antwoord: ‘JA’ (het koppelwerkwoord ‘is’).

Vraag 2: Gaat het in de zin om een eigenschap/toestand? Antwoord: ‘JA’ (het ‘ziek zijn’).

Vraag 3: Wordt er in de zin iets over het onderwerp (Peter) gezegd? Antwoord: ‘JA’ (dat ‘Peter’ ziek is).

Op alledrie de vragen heb je ‘JA’ kunnen antwoorden, dus hebben we hier te maken met een naamwoordelijk gezegde. Nogmaals: als één van deze vragen met ‘NEE’ beantwoord was, zou je te maken hebben met een werkwoordelijk gezegde.

Nu je weet dat in onze voorbeeldzin een naamwoordelijk gezegde voorkomt, kunnen we het daadwerkelijke naamwoordelijk gezegde ook gaan opschrijven.

We moeten daarom twee delen bij elkaar zetten: het werkwoordelijk deel en het naamwoordelijk deel. Het werkwoordelijk deel = alle werkwoorden van de zin. Het naamwoordelijk deel = datgene wat iets zegt over het onderwerp.

“Peter is al heel lang ziek.”

Werkwoordelijk deel: ‘is’

Naamwoordelijk deel: ‘ziek’

Het naamwoordelijk gezegde van deze zin is dus: ‘is ziek’.

Nu een nieuwe voorbeeldzin, maar dan zonder uitgeschreven denkstappen:

“Dat kind leek mij bijzonder gelukkig.”

Vraag 1: Staat er een koppelwerkwoord in de zin? Antwoord: ‘JA’ (‘leek’)

Vraag 2: Gaat het in de zin om een eigenschap of toestand? Antwoord: ‘JA’ (‘gelukkig zijn’)

Vraag 3: Wordt er in de zin iets over het onderwerp (‘Dat kind’) gezegd? Antwoord: ‘JA’ (dat ‘Dat kind’ gelukkig is).

Drie keer ‘JA’ betekent: de zin heeft een naamwoordelijk gezegde.

Nu het werkwoordelijk en naamwoordelijk deel samenvoegen:

Werkwoordelijik deel: ‘leek’

Naamwoordelijk deel: ‘gelukkig’

Naamwoordelijk gezegde: ‘leek gelukkig’