Het meewerkend voorwerp is net als het lijdend voorwerp eenvoudig te vinden m.b.v. een vraag die je stelt aan alle tot nu toe gevonden zinsdelen. Bij het meewerkend voorwerp zijn dat dus inmiddels deze zinsdelen:

Persoonvorm, onderwerp, naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp

De vraag die je stelt aan deze zinsdelen is: aan wie? of voor wie? In enkele gevallen zou de vraag ‘Bij wie?‘ ook van toepassing kunnen zijn.

Een paar voorbeelden:

“De directeur van de school / werd / een werkplan / aangeboden.”

Persoonsvorm: ‘werd’ | onderwerp: ‘een werkplan’ | werkwoordelijk gezegde: ‘werd aangeboden’ | lijdend voorwerp: -

Je stelt nu de vraag: ‘Aan wie werd een werkplan aangeboden?’ Antwoord: ‘De directeur van de school’.

Nog een voorbeeld:

“Vandaag¬† /heb / ik / voor Peter / een cadeau / gekocht.”

Persoonsvorm: ‘heb’ | onderwerp: ‘ik’ | werkwoordelijk gezegde: ‘heb gekocht’ | lijdend voorwerp: ‘een cadeau’.

Je stelt nu de vraag: ‘Aan wie heb ik een cadeau gekocht?’ Hierop krijg je geen antwoord. Vraag daarom: ‘Voor wie heb ik een cadeau gekocht?’ Antwoord: ‘voor Peter’.

Staat er dus een voorzetsel voor het meewerkend voorwerp, dan hoort dat bij het meewerkend voorwerp. Staat er geen voorzetsel voor het meewerkend voorwerp, dan hoort dat ook niet bij het meewerkend voorwerp.