Het lijdend voorwerp vind je heel eenvoudig door wie of wat te vragen aan alle zinsdelen die je op dit moment gevonden hebt. De zinsdelen die je nu als het goed is hebt gevonden zijn:

Persoonsvorm, onderwerp, naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde.

Goed om te weten, is dat je NOOIT een lijdend voorwerp hebt als je in de zin te maken hebt met een naamwoordelijk gezegde. Wees daar dus zeker van, anders kom je later in de knoop te zitten.

Een paar voorbeelden:

“Aan mijn buurmeisje / heb / ik / het geleende schrift / teruggegeven.”

Persoonsvorm: ‘heb’ | onderwerp: ‘ik’ | werkwoordelijk gezegde: ‘heb teruggegeven’

Je ziet dus nu al waar je de vraag wie? of wat? moet stellen: aan alle gevonden zinsdelen. Dat levert de volgende vraag op:

Wie heb ik teruggegeven? Hierop krijg je geen antwoord, dus vraag je: Wat heb ik teruggegeven? Het antwoord is natuurlijk: ‘het geleende schrift’.

Nu volgt een voorbeeld van een zin waar al een naamwoordelijk gezegde in staat en waar dus geen lijdend voorwerp in kan staan:

“Van dat liedje / word / ik / erg / blij.”

Persoonsvorm: ‘word’ | onderwerp: ‘ik’ | naamwoordelijk gezegde: ‘word blij’

Je kunt hierom dus niet vragen: ‘Wat word ik?’ Antwoord: ‘blij’, want het zinsdeel ‘blij’ heb je eerder bij het naamwoordelijk gezegde al benoemd en een zinsdeel kan nooit tegelijkertid een lijdend voorwerp en onderdeel van het naamwoordelijk gezegde zijn.