Bij het redekundig ontleden is de bijwoordelijke bepaling is het laatste zinsdeel waar je naar op zoek gaat. De bijvoeglijke bepaling, die hierna nog komt, is namelijk geen zinsdeel. Natuurlijk wordt dat verderop nog uitgelegd.

Een woord of woordgroep kan om een flink aantal redenen een bijwoordelijke bepaling zijn, maar eerst is het belangrijk om te weten hoe je überhaupt een bijwoordelijke bepaling snel kunt herkennen: als je bij het benoemen van persoonsvorm tot en met voorzetselvoorwerp bepaalde woorden of woordgroepen nog niet hebt benoemd (je houdt dus een woord of woordgroep over), kun je er vaak van op aan dat het in deze gevallen gaat om een bijwoordelijke bepaling. Klaar als een klontje, zul je denken. In zekere zin is dat ook zo, maar het is belangrijk dat je weet om welke reden iets een bijwoordelijke bepaling is. Die redenen, of soorten bijwoordelijke bepalingen zal ik hieronder stuk voor stuk behandelen. Ook is het zo dat niet alleen woorden of woordgroepen die overblijven een bijwoordelijke bepaling kunnen zijn. Ze kunnen dus ook voorkomen in zinsdelen die je eerder al hebt benoemd.

Om de volgende redenen kan een woord of woordgroep tot een bijwoordelijke bepaling worden gerekend:

1. Er wordt een plaats of tijd aangeduid.

2. Er wordt iets gezegd over een werkwoord.

3. Er wordt iets gezegd over een bijvoeglijk naamwoord.

4. Er wordt iets gezegd over een bijwoordelijke bepaling.

5. Je hebt te maken met een ‘restwoord’.

6. Er wordt antwoord gegeven op ‘restvragen’.

De bijwoordelijke bepaling heeft voor een groot deel te maken met extra informatie die gegeven wordt. Ook wordt er bij een bijwoordelijke bepaling vaak iets gezegd over een ander woord zoals je ziet.

Dan volgt nu de uitleg per categorie:

1. Er wordt een plaats of tijd aangeduid (bijwoordelijke bepaling van plaats of tijd).

Dat kan zijn met één woord, maar ook met meerdere woorden.

Plaats met één woord aangeduid: ‘hier’, ‘daar’, ‘er’, ‘waar’ (niet te verwarren met het vragend voornaamwoord).

Plaats als woordgroep: ‘op de bodem van de zee’, ‘in de lift’, ‘in Amsterdam’, ‘op het balkon’, ‘in bad’, etc.

Tijd met één woord aangeduid: ‘nu’, ‘straks’, ‘later’, ‘dan’ (als in ‘Pas dan mag je ingrijpen’), ‘gisteren’, ‘morgen’, ‘vandaag’, ‘zo’ (als in: ‘Ik ga zo weg’), ‘vanavond’, ‘vanmorgen’, ‘vanmiddag’, ‘toen’, etc.

Tijd als woordgroep: ‘om even voor twaalf’, ‘vorig jaar’, ‘over een tijdje’, ‘lang geleden’, ‘van nu af aan’, etc.

Nu wat voorbeeldzinnen waar de onderstreepte zinsdelen bijwoordelijke bepaling zijn:

Plaats:Hier / mag / men / roken.”

Plaats: “We / hebben / in het stadion / getraind.”

Tijd: Vanochtend / maakte / ik / mijn ontbijt / klaar.”

Tijd: “Hij / hield / zijn adem / in / tot hij niet meer kon.”

2. Er wordt iets gezegd over een werkwoord.

De onderstreepte delen zijn bijwoordelijke bepalingen:

“Linda / kan / hard / rennen.” (‘hard’ zegt iets over ‘rennen’)

“Mijn buurman / dacht / diep / na.” (‘diep’ zegt iets over ‘nadenken’)

Enthousiast / vertelt / hij / een verhaal.” (‘Enthousiast’ zegt iets over ‘vertellen’)

“Een goede juwelier / werkt / precies.” (‘precies’ zegt iets over ‘werken’)

3. Er wordt iets gezegd over een bijvoeglijk naamwoord.

De onderstreepte delen zijn bijwoordelijke bepalingen:

“Dat kasteel / is / ontzettend oud.” (‘ontzettend’ zegt iets over ‘oud’)

“Je / hebt / een erg lekkere taart / gebakken!” (‘erg’ zegt iets over ‘lekkere’)

“Die poolwind / is / heel koud.” (‘heel’ zegt iets over ‘koud’)

“Peter / vertelde / een erg grappige mop.” (‘erg’ zegt iets over ‘grappige’)

4. Er wordt iets gezegd over een bijwoordelijke bepaling.

De onderstreepte delen zijn bijwoordelijke bepalingen:

“Haar neefje / kan / heel goed / liegen.” (‘heel’ zegt iets over ‘goed’ | ‘goed’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘liegen’)

“Die man / loopt / erg eigenaardig.” (‘erg’ zegt iets over ‘eigenaardig’ | ‘eigenaardig’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘lopen’)

“Hij / speelt / erg / mooi / gitaar.” (‘erg’ zegt iets over ‘mooi’ | ‘mooi’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘spelen’)

“Dat meisje / gedraagt / zich / zeer vervelend.” (‘zeer’ zegt iets over ‘vervelend’ | ‘vervelend’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘zich gedragen’)

5. Je hebt te maken met een ‘restwoord’.

‘Restwoorden’ zijn vanzelfspreken woorden waar je eigenlijk niets mee kunt: ze vallen meestal wel in een bepaalde categorie, maar daarvan zijn er vrij veel, dus ik raad het je niet aan deze allemaal te onthouden.

Valt een bijwoordelijke bepaling dus niet in categorie 1 t/m 4, kun je er vanuit gaan dat je te maken hebt met een ‘restwoord’ of met een ‘restvraag’ (categorie 5 en 6).

Hieronder wat voorbeeldzinnen. De onderstreepte delen zijn ‘restwoorden’, dus bijwoordelijke bepalingen:

“Ik / koop / nooit / koekjes.”

“Dat / weet / ik / eigenlijk / niet.”

“Hij / heeft / geen / geld / meer.”

Anders / doe / ik / de deur / wel / open.”

6. Er wordt antwoord gegeven op ‘restvragen’.

Om bij het redekundig ontleden een volgend zinsdeel te vinden, is het vaak nodig dat je bepaalde vragen stelt aan de zinsdelen die je op dat moment al gevonden hebt. De vragen die je zoal stelt zijn: Wie…? Wat…? Aan wie…? Voor wie…? Laten we dit de standaardvragen noemen.

Alle andere vragen kun je stellen bij de bijwoordelijke bepaling: Hoe…? Waar…? Waarom…? Wanneer…? Hoelang…? Waarheen…? Waarmee…? Laten we dit ‘restvragen’ noemen.

Houd je bij het ontleden dus woorden of woordgroepen over en vallen deze niet in categorie 1 t/m 5 (zie bovenstaande puntenlijst), is de kans heel groot dat deze woorden letterlijk een antwoord zijn op restvragen.

Hier volgen een paar voorbeeldzinnen. De onderstreepte delen zijn bijwoordelijke bepalingen die antwoord geven op restvragen:

Met de trein / reis / ik / naar Parijs.” (Waarmee? Antwoord: Met de trein! | ‘naar Parijs’ is een bijwoordelijk bepaling van plaats)

Vanwege de stakingen / rijden / er / vandaag / geen / treinen.” (Waarom? Antwoord: Vanwege de stakingen! | ‘er’ is een bijwoordelijke bepaling van plaats (‘er’ betekent ‘daar’); ‘vandaag’ is een bijwoordelijke bepaling van tijd; ‘geen’ is een restwoord, dus een bijwoordelijke bepaling)

Met mijn moeder / heb / ik / zaterdag / gezellig / gewinkeld.” (Met wie? Antwoord: Met mijn moeder! | ‘zaterdag’ is een bijwoordelijke bepaling van tijd; ‘gezellig’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets over het werkwoord ‘winkelen’ zegt)

In het spookhuis / ben / ik / toen / ongelooflijk / geschrokken!” (Waar? Antwoord: In het spookhuis! | ‘toen’ is en bijwoordelijke bepaling van tijd; ‘ongelooflijk’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘schrikken’)