Wat is redekundig ontleden? Hoe werkt het? Waar heb je het voor nodig? De antwoorden van deze en meer vragen kun je vinden in het rechtermenu, onder ‘Redekundig ontleden’. Op die manier hoop ik dat je een goed beeld krijgt van wat deze vorm van taalbeschouwing inhoudt.

Er zijn vele manieren waarop je kunt ontleden. De ene manier zal beter bij je passen dan de andere; dat is meestal geen kwestie van goed of fout, maar een kwestie van voorkeur. Hieronder zul je een manier van ontleden uitgelegd zien, dus niet de enige manier. Je kunt je voordeel doen met de handigheden en je kunt de onhandigheden altijd naast je neerleggen.

Hieronder zal ik in één lopend verhaal per zinsdeel uitleggen hoe je het in een zin kunt herkennen. Zo komen de regels, de uitleg en werkwijze van elk zinsdeel langs. Je kunt ook via het rechtermenu de uitleg van één bepaald zinsdeel kiezen als je dat prettiger vindt.

Persoonsvorm

De persoonsvorm is altijd een werkwoord en je vindt de persoonsvorm door de zin in een andere tijd te zetten dan hij oorspronkelijk staat. De persoonsvorm verandert dan ook van tijd en zo kun je hem herkennen.

Voorbeelden:

“Mijn buurman slaapt altijd tot 12:30 uit.” (= tegenwoordige tijd)

“Mijn buurman sliep altijd tot 12:30 uit.” (= verleden tijd)

‘Slaapt’ verandert, dus dat is de persoonsvorm. Ook is dit het enige werkwoord van de zin.

“Jeffrey heeft gisteren een nieuwe auto gekocht.”

“Jeffrey had gisteren een nieuwe auto gekocht.”

‘Heeft’ verandert, dus dat is de persoonsvorm. In deze zin staan twee werkwoorden (‘had’ en ‘gekocht’) waarvan alleen ‘had’ van tijd verandert. ‘Gekocht’ is dus geen persoonsvorm.

Sommigen gebruiken een andere regel om de persoonsvorm te vinden, namelijk het vragend maken van de zin. De persoonsvorm komt dan automatisch vooraan te staan. Dit is een goede methode, maar werkt niet handig als je te maken hebt met zinnen die uit meerdere zinnen bestaan (samengestelde zinnen). Dan moet je namelijk twee keer een zin vragend maken en dat kan verwarrend zijn:

“Morgen ga ik iets op school presenteren, maar ik durf niet zo goed.”

Ga ik morgen iets op school presenteren, maar durfde ik niet zo goed?”

Je ziet: als je te maken hebt met twee zinnen, heb je dus ook twee persoonsvormen. In feite bestaat een samengestelde zin dus bijna altijd uit meerdere persoonsvormen. Als je een zin redekundig gaat ontleden, kijk je dus eerst of je met een samengestelde zin te maken hebt, omdat die eigenlijk uit twee (of meer) zinnen bestaat. Je ontleedt dan nooit de hele zin in één keer, want daar kom je logischerwijs niet uit. Je ontleedt dan eerst de eerste zin (meestal vóór de komma of voegwoord). Als je dat hebt gedaan, ontleed je de rest van de zin na de komma. Het zou dus best zo kunnen zijn dat het gedeelte voor de komma één werkwoord bevat, terwijl de zin na de komma twee of meer werkwoorden bevat. Kijk maar:

“Piet zeilt graag, maar zijn zusje moet daar niets van hebben.”

De twee kleinere zinnen van samengestelde zinnen kunnen dus onafhankelijk van elkaar allerlei werkwoorden (en ook andere zinsdelen) bevatten.

Onderwerp

Nu je het eerste zinsdeel hebt gevonden (persoonsvorm), kun je beginnen met vragen stellen aan de zinsdelen die je hebt gevonden. Zinsdelen die je door vragen stellen vindt zijn: onderwerp, naamwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en het voorzetselvoorwerp. Elk zinsdeel vind je door een specifieke vraag te stellen aan de zinsdelen die je op dat moment al gevonden hebt. In het geval van het onderwerp, heb je dus alleen de persoonsvorm nog gevonden. Je stelt de vraag dus nu alleen aan de persoonsvorm.

Je vindt het onderwerp door wie/wat te vragen aan de persoonsvorm:

“Ouderavonden kunnen erg interessant zijn.” (pv = kunnen)

Je vraagt dus eerst: ’Wie kunnen?’ Hierop krijg je geen antwoord. Als dat zo is, vraag je: ‘Wat kunnen?’ Hierop krijg je wél antwoord, namelijk ‘Ouderavonden’.

Heb je een samengestelde zin met twee persoonsvormen, heb je dus waarschijnlijk ook twee onderwerpen. Kijk maar:

Het boek is nu uitverkocht, want ik ben vergeten het opnieuw te bestellen.” (pv = ‘is’ en ‘ben’)

Eerst de vraag stellen aan het eerste gedeelte van de zin: Wie is? (geen antwoord). Wat is? Antwoord: ‘Het boek’. Dit is het eerste onderwerp. Nu stel je de vraag aan het tweede gedeelte van de zin: ‘Wie is?’ (‘Wie ben’ klopt namelijk niet) Antwoord: ‘Ik’. Dit is het tweede onderwerp.

Naamwoordelijk gezegde

Nu heb je al twee zinsdelen gevonden (persoonsvorm en onderwerp) en ga je kijken of de zin een naamwoordelijk gezegde heeft. Het andere, werkwoordelijke, gezegde is veel eenvoudiger te vinden dan het naamwoordelijk gezegde. Waarom dan niet eerst het werkwoordelijk gezegde zoeken?

Werkwoorden kunnen er samen soms uitzien als werkwoordelijk gezegde, terwijl het om een naamwoordelijk gezegde gaat. Om er simpelweg dus niet in te stinken, zoek je eerst naar het naamwoordelijk gezegde, dan weet je zeker dat je het bij het juiste eind hebt.

Het moeilijke bij het vinden van het naamwoordelijk gezegde is dat je o.a. kennis nodig hebt die hoort bij het taalkundig ontleden. Je moet bij het naamwoordelijk gezegde dus eigenlijk op twee manieren ontleden (redekundig en taalkundig) en dat kan verwarrend zijn.

Om erachter te komen of een zin een naamwoordelijk gezegde heeft, stel je altijd ’de drie vragen’. Om vervolgens het naamwoordelijk gezegde op te schrijven, moet je de twee delen samenvoegen waaruit het naamwoordelijk gezegde bestaat: het werkwoordelijk deel en het naamwoordelijk deel.

Dat zijn dus twee belangrijke stappen. die je bij het vinden van het naamwoordelijk gezegde altijd moet uitvoeren.

De drie vragen

Als je klaar bent om het naamwoordelijk gezegde te vinden, stel je aan de betreffende zin de onderstaande drie vragen:

Vraag 1: Staat er een vorm van één van de negen koppelwerkwoorden in de zin?

Vraag 2: Gaat het in de zin om een ‘toestand’ (ook wel: eigenschap)?

Vraag 3: Wordt er in de zin iets over het onderwerp gezegd?

Deze vragen stel je alleen om erachter te komen of je wel of geen naamwoordelijk gezegde in de zin hebt staan. Elk van de drie vragen moet je met ‘JA’ kunnen beantwoorden. Als ook maar één vraag met ‘NEE’ beantwoord wordt, heb je GEEN naamwoordelijk gezegde, maar een werkwoordelijk gezegde. Is het antwoord op vraag 1 ‘NEE’, kun je meteen stoppen met vragen, want dan weet je al dat je te maken hebt met een werkwoordelijk gezegde. De drie vragen licht ik hieronder toe:

Vraag 1: bij deze vraag heb je kennis nodig van het taalkundig ontleden. Je moet namelijk weten en herkennen wat een koppelwerkwoord is. In totaal zijn er negen koppelwerkwoorden:

zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, vóórkomen

Dit zijn allemaal hele werkwoorden, maar koppelwerkwoorden kunnen ook vervoegingen zijn van deze negen koppelwerkwoorden. Als ik het woord ‘zijn’ er even uitpak, kunnen de volgende woorden dus ook koppelwerkwoorden zijn:

is, was, geweest, ben, waren

Deze komen allemaal van het woord ‘zijn’. Hetzelfde geldt voor de andere acht koppelwerkwoorden. Woorden als ‘werd’ , ‘gebleven’, ‘leek’ en ‘bleek’ kunnen dus ook allemaal koppelwerkwoorden zijn.

In de volgende zinnen zijn de koppelwerkwoorden onderstreept:

“Peter is al heel lang ziek.” (‘ziek zijn’ kun je niet doen; ‘ziek’ is een eigenschap van ‘Peter’)

“Onze nieuwe juf blijkt heel aardig te zijn.” (dat iets ‘blijkt’ is kun je niet doen; ‘aardig’ is een eigenschap/toestand van ‘Onze nieuwe juf’)

“Mijn oma wordt morgen honderd jaar!” (‘honderd jaar worden’ is geen handeling of activiteit en kun je dus niet doen; het ‘honderd worden’ is een eigenschap/toestand van ‘Mijn oma’)

In de volgende zinnen zitten geen koppelwerkwoorden, maar werkwoorden die een handeling of actie uitdrukken:

“Vorig jaar schaatste je erg goed.” (‘schaatsen’ kun je doen)

“Veel mensen kijken wel eens tv.” (‘kijken’ kun je doen)

“Een beter milieu begint bij jezelf.” (‘beginnen’ kun je doen)

Zoals je ziet maak ik onderscheid tussen eigenschap/toestand en handeling/actie. De werkwoorden van een zin vallen altijd in één van deze twee categorieën. Dit heeft alles te maken met vraag twee:

Vraag 2: Als vraag 1 met ‘JA’ is beantwoord en je dus een koppelwerkwoord in de zin hebt gevonden, stel je vraag 2: ‘Gaat het in de zin om een eigenschap (ook wel: toestand)? Als je vraag 1 met ‘NEE’ hebt beantwoord, heb je dus te maken met een werkwoordelijk gezegde.

Wat voor ons bij het naamwoordelijk gezegde dus interessant is, is als iets een eigenschap ofwel toestand is. Wat wordt daar precies mee bedoeld? Eigenschappen zeggen vaak iets over het onderwerp: ‘Zieke Peter’, ‘Aardige juf’, ‘Honderdjarige oma’. Eigenschappen of toestanden kun je ook nooit uitvoeren: je kunt niet de handeling ‘ziek zijn’ uitvoeren, je kunt niet de handeling ‘honderd worden’ uitvoeren en je kunt de handeling ‘blijken aardig te zijn’ ook niet uitvoeren.

Daartegenover staan werkwoorden die wel uit te voeren zijn: ‘schaatsen’ kun je prima uitvoeren, net als ‘kijken’ en ‘beginnen’. Deze werkwoorden zijn echter niet interessant voor het naamwoordelijk gezegde, maar het is erg belangrijk om het verschil te kunnen zien tussen eigenschap/toestand en handeling/actie.

Vraag 3: Als laatste vraag wil je weten of in de zin iets wordt gezegd over het onderwerp. In de zin:

“Peter is al heel lang ziek.”, zegt ‘ziek’ bijvoorbeeld iets over ‘Peter’.

In de zin “Onze nieuwe juf blijkt heel aardig te zijn.”, zegt ‘aardig’ iets over ‘Onze nieuwe juf’.

In de zin “Mijn oma wordt morgen honderd jaar!”, zegt ‘honderd jaar’ iets over ‘Mijn oma’.

De drie vragen samenvattend

Als je bij de eerste voorbeeldzin dan alle antwoorden op een rij zet, zie je het volgende:

“Peter is al heel lang ziek.”

Vraag 1: Staat er een koppelwerkwoord in de zin? Antwoord: ‘JA’ (het koppelwerkwoord ‘is’).

Vraag 2: Gaat het in de zin om een eigenschap/toestand? Antwoord: ‘JA’ (het ‘ziek zijn’).

Vraag 3: Wordt er in de zin iets over het onderwerp (Peter) gezegd? Antwoord: ‘JA’ (dat ‘Peter’ ziek is).

Op alledrie de vragen heb je ‘JA’ kunnen antwoorden, dus hebben we hier te maken met een naamwoordelijk gezegde. Nogmaals: als één van deze vragen met ‘NEE’ beantwoord was, zou je te maken hebben met een werkwoordelijk gezegde.

Nu je weet dat in onze voorbeeldzin een naamwoordelijk gezegde voorkomt, kunnen we het daadwerkelijke naamwoordelijk gezegde ook gaan opschrijven.

We moeten daarom twee delen bij elkaar zetten: het werkwoordelijk deel en het naamwoordelijk deel. Het werkwoordelijk deel = alle werkwoorden van de zin. Het naamwoordelijk deel = datgene wat iets zegt over het onderwerp.

“Peter is al heel lang ziek.”

Werkwoordelijk deel: ‘is’

Naamwoordelijk deel: ‘ziek’

Het naamwoordelijk gezegde van deze zin is dus: ‘is ziek’.

Nu een nieuwe voorbeeldzin, maar dan zonder uitgeschreven denkstappen:

“Dat kind leek mij bijzonder gelukkig.”

Vraag 1: Staat er een koppelwerkwoord in de zin? Antwoord: ‘JA’ (‘leek’)

Vraag 2: Gaat het in de zin om een eigenschap of toestand? Antwoord: ‘JA’ (‘gelukkig zijn’)

Vraag 3: Wordt er in de zin iets over het onderwerp (‘Dat kind’) gezegd? Antwoord: ‘JA’ (dat ‘Dat kind’ gelukkig is).

Drie keer ‘JA’ betekent: de zin heeft een naamwoordelijk gezegde.

Nu het werkwoordelijk en naamwoordelijk deel samenvoegen:

Werkwoordelijik deel: ‘leek’

Naamwoordelijk deel: ‘gelukkig’

Naamwoordelijk gezegde: ‘leek gelukkig’

Werkwoordelijk gezegde

Mocht één van de drie vragen van het naamwoordelijk gezegde dus met ‘NEE’ zijn beantwoord, heb je te maken met een werkwoordelijk gezegde. Dan zijn simpelweg alle werkwoorden van de zin het werkwoordelijk gezegde:

“De meeste moeders zorgen goed voor hun kind.”

Hier hebben we te maken met een enkelvoudige zin met maar één werkwoord erin. Het werkwoordelijk gezegde is dan ook ‘zorgen’.

“Mijn vader snoeit de kerstboom en ik koop de kerstboomversiering.”

Hier hebben we te maken met een samengestelde zin met twee werkwoorden erin. Het voegwoordje ‘en’ plakt de twee kleinere zinnen een elkaar. Het werkwoordelijk gezegde is daarom ‘snoeit’ en ‘koopt’.

“Gisteren heb ik mijn broer met een gratis etentje verrast en daarom is hij nu blij.”

Hier hebben we te maken met een samengestelde zin. Het voegwoordje ‘en’ plakt de twee kleinere zinnen aan elkaar. In de eerste zin staat een werkwoordelijk gezegde: ‘heb verrast’ en in de tweede zin staat een naamwoordelijk gezegde: ‘is blij’. Het kan dus goed voorkomen dat je in een samengestelde zin te maken hebt met verschillende soorten gezegdes!

Lijdend voorwerp

Het lijdend voorwerp vind je heel eenvoudig door wie of wat te vragen aan alle zinsdelen die je op dit moment gevonden hebt. De zinsdelen die je nu als het goed is hebt gevonden zijn:

Persoonsvorm, onderwerp, naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde.

Goed om te weten, is dat je NOOIT een lijdend voorwerp hebt als je in de zin te maken hebt met een naamwoordelijk gezegde. Wees daar dus zeker van, anders kom je later in de knoop te zitten.

Een paar voorbeelden bij het lijdend voorwerp:

“Aan mijn buurmeisje / heb / ik / het geleende schrift / teruggegeven.”

Persoonsvorm: ‘heb’ | onderwerp: ‘ik’ | werkwoordelijk gezegde: ‘heb teruggegeven’

Je ziet dus nu al waar je de vraag wie? of wat? moet stellen: aan alle gevonden zinsdelen. Dat levert de volgende vraag op:

Wie heb ik teruggegeven? Hierop krijg je geen antwoord, dus vraag je: Wat heb ik teruggegeven? Het antwoord is natuurlijk: ‘het geleende schrift’.

Nu volgt een voorbeeld van een zin waar al een naamwoordelijk gezegde in staat en waar dus geen lijdend voorwerp in kan staan:

“Van dat liedje / word / ik / erg / blij.”

Persoonsvorm: ‘word’ | onderwerp: ‘ik’ | naamwoordelijk gezegde: ‘word blij’

Je kunt hierom dus niet vragen: ‘Wat word ik?’ Antwoord: ‘blij’, want het zinsdeel ‘blij’ heb je eerder bij het naamwoordelijk gezegde al benoemd en een zinsdeel kan nooit tegelijkertid een lijdend voorwerp en onderdeel van het naamwoordelijk gezegde zijn.

Meewerkend voorwerp

Het meewerkend voorwerp is net als het lijdend voorwerp eenvoudig te vinden m.b.v. een vraag die je stelt aan alle tot nu toe gevonden zinsdelen. Bij het meewerkend voorwerp zijn dat dus inmiddels deze zinsdelen:

Persoonvorm, onderwerp, naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp.

De vraag die je stelt aan deze zinsdelen is: aan wie? of voor wie? In enkele gevallen zou de vraag ‘Bij wie?‘ ook van toepassing kunnen zijn.

Een paar voorbeelden:

“De directeur van de school / werd / een werkplan / aangeboden.”

Persoonsvorm: ‘werd’ | onderwerp: ‘een werkplan’ | werkwoordelijk gezegde: ‘werd aangeboden’ | lijdend voorwerp: -

Je stelt nu de vraag: ‘Aan wie werd een werkplan aangeboden?’ Antwoord: ‘De directeur van de school’. Dit is het meewerkend voorwerp.

Nog een voorbeeld:

“Vandaag  /heb / ik / voor Peter / een cadeau / gekocht.”

Persoonsvorm: ‘heb’ | onderwerp: ‘ik’ | werkwoordelijk gezegde: ‘heb gekocht’ | lijdend voorwerp: ‘een cadeau’.

Je stelt nu de vraag: ‘Aan wie heb ik een cadeau gekocht?’ Hierop krijg je geen antwoord. Vraag daarom: ‘Voor wie heb ik een cadeau gekocht?’ Antwoord: ‘voor Peter’. Dit is het meewerkend voorwerp.

Staat er dus een voorzetsel voor het meewerkend voorwerp, dan hoort dat bij het meewerkend voorwerp. Staat er geen voorzetsel voor het meewerkend voorwerp, dan hoort dat ook niet bij het meewerkend voorwerp.

Voorzetselvoorwerp

Het voorzetselvoorwerp is in vergelijking met de vorige twee zinsdelen weer een wat ingewikkelder zinsdeel. Net als bij het naamwoordelijk gezegde vind je het voorzetselvoorwerp door eerst vragen te stellen aan (delen van) de zin en dan delen samen te voegen.

Bij het vinden van voorzetselvoorwerp doe je twee dingen: je stelt twee vragen om er achter te komen of de zin wel of geen voorzetselvoorwerp heeft. Als je die vragen hebt beantwoord ga je het eigenlijke voorzetselvoorwerp bij elkaar zoeken.

Deze twee vragen stel je aan de zin:

1. Staat er een werkwoord in de zin met een vast (of ‘noodzakelijk’) voorzetsel?

2. Wordt dit voorzetsel figuurlijk gebruikt?

Natuurlijk moeten beide vragen met ‘JA’ worden beantwoord. Is één antwoord ‘NEE’, dan heb je NIET te maken met een voorzetselvoorwerp.

Uitleg bij vraag 1:

Een werkwoord met een vast of noodzakelijk voorzetsel herken je door de betekenis van het betreffende werkwoord MET voorzetsel te vergelijken met de betekenis van het werkwoord ZONDER dat voorzetsel. Als die twe betekenissen van elkaar verschillen, betekent dat dus dat het voorzetsel wel erg belangrijk is voor de betekenis van de werkwoord. Je hebt dan te maken met een werkwoord met een vast of noodzakelijk voorzetsel. Kijk maar:

“Ik kan altijd op mijn vriendin rekenen.”

Hier is het werkwoord ‘rekenen’ en het voorzetsel ‘op’. Deze twee woorden worden vaak samen gebruikt als ‘rekenen op’.

Nu gaan we betekenissen vergelijken:

Bij ‘rekenen op‘ wordt bedoeld dat je op iets of iemand kunt vertrouwen.

Nu halen we het voorzetsel ‘op’ weg om te kijken of dit voorzetsel belangrijk is voor de betekenis:

Bij ‘rekenen‘ wordt bedoeld dat je met berekeningen uitvoert. Dit is iets totaal anders dan ‘rekenen op’. Omdat je het voorzetsel ‘op’ hebt weggehaald, verandert de betekenis van het werkwoord dus. Je kunt bij de bovenstaande voorbeeldzin dus zeggen dat het voorzetsel ‘op’ hoort bij het werkwoord ‘rekenen’, omdat het voorzetsel ‘op’ erg belangrijk is voor de betekenis van ‘rekenen op’.

Een ander voorbeeld:

“Als brugklasser moest ik erg wennen aan de middelbare school.”

Hier staan er twee werkwoorden in de zin: ‘moest’ en ‘wennen’. Als we naar de voorzetsels kijken, valt ‘aan’ op, omdat ‘wennen aan’ vaak samen wordt gebruikt. De combinatie ‘moest aan’ wordt bijvoorbeeld nooit gebruikt. Het voorzetsel ‘aan’ hoort dan ook niet bij ‘moest’, maar bij ‘wennen’.

Haal je het voorzetsel ‘aan’ weg dan betekent ‘wennen aan’ nog steeds ongeveer hetzelfde als ‘wennen’. Waarom is ‘aan’ dan toch een vast voorzetsel van ‘wennen’? Dat komt omdat je  nooit zegt: ‘Ik moet wennen.’ Een logische vraag die daar dan op volgt, is altijd: ‘Waaraan moet je dan wennen?’. Het één gaat dus in dit geval dus altijd gepaard met het ander.

Andere veel gebruikte werkwoorden met vaste voorzetsels zijn:

‘Houden van’, ‘rekening houden met’, ‘twijfelen aan’, ‘verlangen naar’

Uitleg bij vraag 2:

Dit gaat over de vraag of het betreffende voorzetsel figuurlijk wordt gebruikt. Bij het voorbeeld van ‘rekenen op’ moet je je dus afvragen of ‘op’ in dit geval een figuurlijke betekenis heeft. Hieronder daarom zowel een figuurlijke als letterlijke betekenis van ‘rekenen op’:

Figuurlijk: je kunt iets van iemand verwachten

Letterlijk: je staat daadwerkelijk op je vriendin met een rekenmachine in je handen en je voert berekeningen uit.

Het lijkt me duidelijk dat bij de voorbeeldzin de figuurlijke betekenis wordt bedoeld.

Als je dus zegt: “Ik reken op een schoolbank.” is dat een letterlijke betekenis, want je bent daadwerkelijk ‘op’ een schoolbank aan het rekenen. In dit geval heb je dus ook niet te maken met een voorzetselvoorwerp, want daarvoor zijn we alleen geïnteresseerd in de figuurlijke betekenissen.

Nu een paar voorbeelden zonder de uitgeschreven denkstappen:

De twee vragen samengvat:

Bij het beantwoorden van deze twee vragen, weet je dus alleen of je wel of geen voorzetselvoorwerp in de zin hebt staan! Alleen als je beide vragen met ‘JA’ kunt beantwoorden heb je te maken met een voorzetselvoorwerp. Als dat zo is, kun je het eigenlijke voorzetselvoorwerp gaan vinden. Dat gaat zo:

Het vinden van het voorzetselvoorwerp:

Het voorzetselvoorwerp begint altijd met een figuurlijke voorzetsel (vraag 2). Dit is dus deel 1 van het voorzetselvoorwerp. Aan dit figuurlijke voorzetsel voeg je vervolgens de vraag ‘waar’ aan toe en het antwoord op deze vraag is het tweede en laatste deel van het voorzetselvoorwerp.

Een paar voorbeelden:

“Ik kan altijd op mijn vriendin rekenen.”

Vraag 1: staat er een werkwoord met vast voorzetsel in de zin? Antwoord: ‘JA’, namelijk ‘rekenen op’.

Vraag 2: wordt dit voorzetsel figuurlijk gebruikt? Antwoord: ‘JA’, want je bent niet echt ‘op’ je vriendin berekeningen aan het uitvoeren.

Deze zin heeft dus een voorzetselvoorwerp!

Het vinden van het voorzetselvoorwerp: het eerste deel is altijd het figuurlijke voorzetsel, dus in dit geval ‘op’. Om het tweede deel te vinden, stel je de vraag ‘waar’ aan  ‘op’. Je krijgt dan: ‘Waarop?’. Antwoord: ‘mijn vriendin’.

Het voorzetselvoorwerp van deze zin is dus ‘op mijn vriendin’.

Volgende zin:

“Als brugklasser moest ik erg wennen aan de middelbare school.”

Vraag 1: ‘wennen aan’ (= werkwoord met vaste voorzetsel)

Vraag 2: ‘aan’ is inderdaad figuurlijk gebruikt, want je hangt bijvoorbeeld niet aan je middelbare school…

Het vinden van het voorzetselvoorwerp: het eerste deel is ‘aan’, het tweede deel is ‘de middelbare school’, want je vraagt ‘waaraan?’.

Het voorzetselvoorwerp van deze zin is dus ‘aan de middelbare school’.

Nu een zin waar je op het verkeerde been wordt gezet. Hier staat geen voorzetselvoorwerp in de zin:

“Op de donderdagen gaf ik altijd gitaarles.”

Vraag 1: er staat wel een werkwoord in deze zin (‘gaf’), maar dit werkwoord heeft geen vast voorzetsel.

Vraag 2: het enige voorzetsel in deze zin wordt inderdaad figuurlijk gebruikt!

Deze zin heeft dus geen voorzetselvoorwerp, omdat vraag 1 al met ‘NEE’ is beantwoord. Veel mensen zien meteen het figuurlijke voorzetsel ‘op’ als ze de zin lezen en denken dan meteen te maken te hebben met een voorzetselvoorwerp, maar dat klopt dus niet. Deze mensen zijn voorbijgegaan aan vraag 1! Dit voorzetsel is inderdaad wel figuurlijk gebruikt, maar hoort helemaal niet bij het werkwoord ‘geven’.

‘Geven’ kan namelijk prima zonder voorzetsel voorkomen. Het voorzetsel ‘op’ is niet noodzakelijk voor de betekenis van ‘geven’.

Bijwoordelijke bepaling

Bij het redekundig ontleden is de bijwoordelijke bepaling is het laatste zinsdeel waar je naar op zoek gaat. De bijvoeglijke bepaling, die hierna nog komt, is namelijk geen zinsdeel. Natuurlijk wordt dat verderop nog uitgelegd.

Een woord of woordgroep kan om een flink aantal redenen een bijwoordelijke bepaling zijn, maar eerst is het belangrijk om te weten hoe je überhaupt een bijwoordelijke bepaling snel kunt herkennen: als je bij het benoemen van persoonsvorm tot en met voorzetselvoorwerp bepaalde woorden of woordgroepen nog niet hebt benoemd (je houdt dus een woord of woordgroep over), kun je er vaak van op aan dat het in deze gevallen gaat om een bijwoordelijke bepaling. Klaar als een klontje, zul je denken. In zekere zin is dat ook zo, maar het is belangrijk dat je weet om welke reden iets een bijwoordelijke bepaling is. Die redenen, of soorten bijwoordelijke bepalingen zal ik hieronder stuk voor stuk behandelen. Ook is het zo dat niet alleen woorden of woordgroepen die overblijven een bijwoordelijke bepaling kunnen zijn. Ze kunnen dus ook voorkomen in zinsdelen die je eerder al hebt benoemd.

Om de volgende redenen kan een woord of woordgroep tot een bijwoordelijke bepaling worden gerekend:

1. Er wordt een plaats of tijd aangeduid.

2. Er wordt iets gezegd over een werkwoord.

3. Er wordt iets gezegd over een bijvoeglijk naamwoord.

4. Er wordt iets gezegd over een bijwoordelijke bepaling.

5. Je hebt te maken met een ‘restwoord’.

6. Er wordt antwoord gegeven op ‘restvragen’.

De bijwoordelijke bepaling heeft voor een groot deel te maken met extra informatie die gegeven wordt. Ook wordt er bij een bijwoordelijke bepaling vaak iets gezegd over een ander woord zoals je ziet.

Dan volgt nu de uitleg per categorie:

1. Er wordt een plaats of tijd aangeduid (bijwoordelijke bepaling van plaats of tijd).

Dat kan zijn met één woord, maar ook met meerdere woorden.

Plaats met één woord aangeduid: ‘hier’, ‘daar’, ‘er’, ‘waar’ (niet te verwarren met het vragend voornaamwoord).

Plaats als woordgroep: ‘op de bodem van de zee’, ‘in de lift’, ‘in Amsterdam’, ‘op het balkon’, ‘in bad’, etc.

Tijd met één woord aangeduid: ‘nu’, ‘straks’, ‘later’, ‘dan’ (als in ‘Pas dan mag je ingrijpen’), ‘gisteren’, ‘morgen’, ‘vandaag’, ‘zo’ (als in: ‘Ik ga zo weg’), ‘vanavond’, ‘vanmorgen’, ‘vanmiddag’, ‘toen’, etc.

Tijd als woordgroep: ‘om even voor twaalf’, ‘vorig jaar’, ‘over een tijdje’, ‘lang geleden’, ‘van nu af aan’, etc.

Nu wat voorbeeldzinnen waar de onderstreepte zinsdelen bijwoordelijke bepaling zijn:

Plaats:Hier / mag / men / roken.”

Plaats: “We / hebben / in het stadion / getraind.”

Tijd: Vanochtend / maakte / ik / mijn ontbijt / klaar.”

Tijd: “Hij / hield / zijn adem / in / tot hij niet meer kon.”

2. Er wordt iets gezegd over een werkwoord.

De onderstreepte delen zijn bijwoordelijke bepalingen:

“Linda / kan / hard / rennen.” (‘hard’ zegt iets over ‘rennen’)

“Mijn buurman / dacht / diep / na.” (‘diep’ zegt iets over ‘nadenken’)

Enthousiast / vertelt / hij / een verhaal.” (‘Enthousiast’ zegt iets over ‘vertellen’)

“Een goede juwelier / werkt / precies.” (‘precies’ zegt iets over ‘werken’)

3. Er wordt iets gezegd over een bijvoeglijk naamwoord.

De onderstreepte delen zijn bijwoordelijke bepalingen:

“Dat kasteel / is / ontzettend oud.” (‘ontzettend’ zegt iets over ‘oud’)

“Je / hebt / een erg lekkere taart / gebakken!” (‘erg’ zegt iets over ‘lekkere’)

“Die poolwind / is / heel koud.” (‘heel’ zegt iets over ‘koud’)

“Peter / vertelde / een erg grappige mop.” (‘erg’ zegt iets over ‘grappige’)

4. Er wordt iets gezegd over een bijwoordelijke bepaling.

De onderstreepte delen zijn bijwoordelijke bepalingen:

“Haar neefje / kan / heel goed / liegen.” (‘heel’ zegt iets over ‘goed’ | ‘goed’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘liegen’)

“Die man / loopt / erg eigenaardig.” (‘erg’ zegt iets over ‘eigenaardig’ | ‘eigenaardig’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘lopen’)

“Hij / speelt / erg / mooi / gitaar.” (‘erg’ zegt iets over ‘mooi’ | ‘mooi’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘spelen’)

“Dat meisje / gedraagt / zich / zeer vervelend.” (‘zeer’ zegt iets over ‘vervelend’ | ‘vervelend’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘zich gedragen’)

5. Je hebt te maken met een ‘restwoord’.

‘Restwoorden’ zijn vanzelfspreken woorden waar je eigenlijk niets mee kunt: ze vallen meestal wel in een bepaalde categorie, maar daarvan zijn er vrij veel, dus ik raad het je niet aan deze allemaal te onthouden.

Valt een bijwoordelijke bepaling dus niet in categorie 1 t/m 4, kun je er vanuit gaan dat je te maken hebt met een ‘restwoord’ of met een ‘restvraag’ (categorie 5 en 6).

Hieronder wat voorbeeldzinnen. De onderstreepte delen zijn ‘restwoorden’, dus bijwoordelijke bepalingen:

“Ik / koop / nooit / koekjes.”

“Dat / weet / ik / eigenlijk / niet.”

“Hij / heeft / geen / geld / meer.”

Anders / doe / ik / de deur / wel / open.”

6. Er wordt antwoord gegeven op ‘restvragen’.

Om bij het redekundig ontleden een volgend zinsdeel te vinden, is het vaak nodig dat je bepaalde vragen stelt aan de zinsdelen die je op dat moment al gevonden hebt. De vragen die je zoal stelt zijn: Wie…? Wat…? Aan wie…? Voor wie…? Laten we dit de standaardvragen noemen.

Alle andere vragen kun je stellen bij de bijwoordelijke bepaling: Hoe…? Waar…? Waarom…? Wanneer…? Hoelang…? Waarheen…? Waarmee…? Laten we dit ‘restvragen’ noemen.

Houd je bij het ontleden dus woorden of woordgroepen over en vallen deze niet in categorie 1 t/m 5 (zie bovenstaande puntenlijst), is de kans heel groot dat deze woorden letterlijk een antwoord zijn op restvragen.

Hier volgen een paar voorbeeldzinnen. De onderstreepte delen zijn bijwoordelijke bepalingen die antwoord geven op restvragen:

Met de trein / reis / ik / naar Parijs.” (Waarmee? Antwoord: Met de trein! | ‘naar Parijs’ is een bijwoordelijk bepaling van plaats)

Vanwege de stakingen / rijden / er / vandaag / geen / treinen.” (Waarom? Antwoord: Vanwege de stakingen! | ‘er’ is een bijwoordelijke bepaling van plaats (‘er’ betekent ‘daar’); ‘vandaag’ is een bijwoordelijke bepaling van tijd; ‘geen’ is een restwoord, dus een bijwoordelijke bepaling)

Met mijn moeder / heb / ik / zaterdag / gezellig / gewinkeld.” (Met wie? Antwoord: Met mijn moeder! | ‘zaterdag’ is een bijwoordelijke bepaling van tijd; ‘gezellig’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets over het werkwoord ‘winkelen’ zegt)

In het spookhuis / ben / ik / toen / ongelooflijk / geschrokken!” (Waar? Antwoord: In het spookhuis! | ‘toen’ is en bijwoordelijke bepaling van tijd; ‘ongelooflijk’ is een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt van het werkwoord ‘schrikken’)

Bijvoeglijke bepaling

In vergelijking met de bijwoordelijke bepaling, is de bijvoeglijke bepaling een stukje eenvoudiger. De bijvoeglijke bepaling heeft dan ook maar één regel:

Een bijvoeglijke bepaling zegt iets van een zelfstandig naamwoord.

Wat waren zelfstandige naamwoorden ook alweer? Antwoord: alle woorden waar je de, het en een voor kunt zetten: het geluk, de honger, het bos, de jongen, de opa, het A4′tje, het getal, etc. Tastbare en ontastbare zaken dus.

Ook zijn zelfstandige naamwoorden alle namen van namen van plaatsen, mensen en bedrijven: Judith, Steven, Peking, Alkmaar, Heineken, Sony, etc.

Een bijvoeglijke bepaling kan uit één woord bestaan, maar ook uit meerdere woorden. In een zin kan een bijvoeglijke bepaling zowel voor als achter het zelfstandige naamwoord staan. Vaak is een bijvoeglijke bepaling en eigenschap van het zelfstandig naamwoord waarover iets gezegd wordt.

Een zeer veel voorkomende fout is het door elkaar halen van de bijvoeglijke en bijwoordelijke bepaling. Er wordt dan met name slordig omgesprongen met het feit of iets van een werkwoord iets zegt, of van een zelfstandig naamwoord. Kijk maar:

“De rechter slaat de hamer slaat hard op het bureau.” (‘hard’ zegt iets over het werkwoord ‘slaan’ en is dus GEEN bijvoeglijke bepaling, maar een bijwoordelijke bepaling!)

“De rechter slaat de hamer op het hardhouten bureau.” (‘hardhouten’ zegt iets over het zelfstandig naamwoord ‘bureau’ en is dus GEEN bijwoordelijke bepaling, maar een bijvoeglijke bepaling!)

Hieronder nog een paar voorbeeldzinnen. De onderstreepte delen zijn bijvoeglijke bepalingen:

“Als ik uit ga, ga ik vaak naar een gezellig café.” (‘gezellig’ zegt iets over ‘café’)

“Deze week was geweldig!” (‘geweldig’ zegt iets over ‘week’)

“Mijn geliefde is mooi, lief, aardig en sociaal.” (deze vier woorden zeggen allemaal iets over ‘Mijn geliefde’)

“Op een klein eiland in de Atlantische Oceaan woont een Zweedse familie.” (‘klein’ zegt iets van ‘eiland’ | ‘in de Atlantische Oceaan’ zegt ook iets over ‘eiland’, want het feit dat dat  eiland in de Atlantische Oceaan ligt is ook een eigenschap van ‘eiland’ | ‘Zweedse’ zegt iets over ‘familie’)

“Die rivier is heel erg lang.” (alleen ‘lang’ zegt iets over ‘de rivier’ | ‘erg’ zegt iets over ‘lang’ en is daarom een bijwoordelijk bepaling; ‘heel’ zegt iets over ‘erg’ en is daarom een bijwoordelijke bepaling).

Bij deze laatste zin is het belangrijk om te beseffen dat alleen ‘lang’ een eigenschap is van de rivier. ‘Heel’ en ‘erg’ zijn nooit eigenschappen. Je zegt namelijk niet: ‘Kijk, die rivier is erg.’, of ‘Jemig, die rivier is heel!’.