Dat ‘onderwijzen’ blijft toch een opmerkelijk gegeven. Men neme een groep van ongeveer, wat zullen we zeggen, 25 kinderen. Deze stop je in een lokaal en je laat ze zitten op een stoel, aan een bureau. Dit doe je van ‘s ochtends vroeg tot laat in de middag. Er zijn pauzes, sommige van een kwartier, andere van een uur. De kinderen mogen tussendoor ook naar het toilet, hoewel ze dat in de meeste gevallen moeten vragen. Aan jou, want jij bent de onderwijzer. Dat betekent dat jij ervoor moet zorgen dat de kinderen van ‘s ochtends vroeg tot laat in de middag iets te doen hebben. Of beter gesteld; iets te leren.

Maar wat moet je de kinderen leren? Nou, dat is door de overheid in grote lijnen vastgelegd. In leerdoelen. Voor rekenen is dat bijvoorbeeld in de bovenbouw “afstanden bepalen met behulp van schaallijn en schaal.” Voor handvaardigheid is dat in de onderbouw onder andere “het benoemen van de namen van kleuren.” Dus als leerkracht maak je elke dag of week een programma en gedurende het schooljaar moet je de van tevoren vastgelegde leerdoelen behandeld hebben. Of, en dat is net zo makkelijk, je koopt een zogenaamde methode waarin alle leerdoelen aan de orde komen in door een ander bedachte lessen.

Maar ja, het aanbieden van een programma aan de kinderen betekent niet automatisch dat alle kinderen begrijpen waar jij het over hebt. Je zult ze de stof moeten uitleggen. Maar, als de geschiedenis ons iets geleerd heeft, dan is het dat niet alle onderwijzers even vaardig zijn in het overbrengen van kennis. De ene leerkracht doet dat net even iets bekwamer dan de ander. Dus daar moet je als kind ook maar mazzel mee hebben. Gelukkig hoef je in de meeste gevallen maar een jaar bij de minder competente leerkracht in de klas te zitten.

Nee, wat een zegening is het voor die beginnelingen die zichzelf met een goede leerkracht in het klaslokaal bevinden. Eentje die kennis heeft van de leerstof en weet hoe hij (ja ja, of zij) deze aan de kinderen kan uitleggen. Net zo vaak tot het aantal oh-nu-snap-ik-het’s gelijk is aan de hoeveelheid snikken en zuchten in het lokaal van de minder competente leerkracht.

Het doet me denken aan een artikel van Terry Heick op TeachTought.com dat ik vanmorgen las met als titel 12 Things I Want To Hear My Students Say:

“Oh, nu snap ik het.” Het iconische zinnetje dat alle leerkrachten graag horen. Een teken dat je leerling van onbegrip naar begrip is gegaan. Het licht in. Veel vloeit voort uit het zinnetje, niet in het minst je eigen waardegevoel – een warme indicator dat je een effectieve leerkracht bent, en dat de volgende generatie niet zo gedoemd is als men denkt. Leerlingen zeggen niet ‘ik snap het’. Nee, ze zeggen ‘nú snap ik het’, om te benadrukken dat ze het iets daarvoor nog niet snapten, maar nú wel. En het ‘Oh’ voegt er een directheid aan toe, alsof het licht zojuist aan is gegaan – net op het moment dat jij er was met je kennis en invloed.

En dan denk ik opeens, als je dat een beetje goed aanpakt als leerkracht en je maakt het uitdagend, leerzaam en leuk voor je leerlingen, wat een geweldige tijd kan dat dan zijn, die schooltijd. En opeens mis ik het zelf. Dan zie ik mijzelf zitten, aan mijn bureau in mijn studeerkamer en dan denk ik; had ik maar iemand die mij vijf dagen per week uitdagende, leerzame en leuke dingen onder mijn neus schuift. Dingen die ik nog niet weet, maar die wel nuttig en fijn zijn om te leren. Een groot verschil met vroeger is dat we het tegenwoordig zelf moeten opzoeken. “Een leven lang leren.” Het is een gevleugelde en veelgehoorde kreet, maar eentje die we vaak kunnen categoriseren onder ‘makkelijker gezegd dan gedaan’. Want hoe vaak zoekt een volwassen mens een mentor op die hem of haar dingen kan leren die onbekend zijn? Niet zo heel vaak, toch? Op een cursus of sporadische opleiding na.

Ik vind het een mooi voornemen. Om vaker ergens een kans om te leren in te zien. Maar dan echt, hè? Dus niet een halfbakken resolutie om eens wat vaker een boek open te slaan of – doe eens gek – een gratis workshop te bezoeken, maar om continu rond te lopen met een groot vraagteken op m’n voorhoofd. Zou dat uitvoerbaar zijn? Of zijn we inmiddels teveel ‘ontschoold’? Hebben we nog wel het enthousiasme, de schwung en de behendigheid om iets op te pakken, van alle kanten te bekijken en er leerzame conclusies aan te verbinden, zoals onze leerlingen dat vaak wel hebben? Misschien is dat wel het geheim van de eeuwige jeugd. Misschien is die laatste aangeschoten opmerking wel het teken om te stoppen met typen.

Yep.

Reageer


acht − 4 =