Signaal- /structuur- /scharnierwoorden

Tijdens het lezen van een tekst kunnen deze woorden een hulpmiddel zijn.

A Categorieën die beweringen voortzetten

1. Toevoeging, aaneenschakeling, opsomming, opeenvolging

En

Et

Ook, eveneens

Aussi, également

Bovendien, daarenboven

En outre, de plus

Ten eerste

D’abord

Dan, vervolgens

Puis, ensuite

Ten slotte, uiteindelijk

Enfin, finalement

Alles wel beschouwd

En fin de compte, tout compte fait, après tout

Rangtelwoorden

Niet alleen……., maar ook

Non seulement …. , mais encore

2. Bevestiging

Inderdaad

En effet, effectivement

Terecht, met reden

À juste titre, avec raison

Natuurlijk, vanzelfsprekend

Évidemment, certainement, bien sûr, naturellement

Ongetwijfeld

Sans aucun doute

3.  Verklaring, uitleg

Want, omdat

Car, parce que

Daarom, dat komt omdat

C’est pourquoi, c’est que

Daarom, dan ook

Aussi (aan het begin van de zin)

D.w.z., te weten

C’ est-à-dire, à savoir

Te meer omdat

D’autant plus que

Dubbele punt:

Deux points:


4. Benadrukking

In het bijzonder, vooral

Notamment, surtout, particulièrement

Zelfs

Même, voire

In feite

En fait

Te meer omdat

D’autant plus que

Niet alleen …., maar ook

Non seulement …., mais aussi

5. Gevolgtrekking

Dus

Donc, alors

Zo, op die manier

Ainsi, de cette façon

Zo … dat

Si bien que, de sorte que

Welnu

or

6.  Voorbeeld en vergelijking

Bijvoorbeeld

Par exemple

Zoals

Comme

Alsof (maar het is niet zo)

Comme si

Evenals, evenzeer als

Aussi … que, autant … que

7. Samenvatting, conclusie

Kortom

Bref, globalement

Samenvattend

En résumé

Dus

Donc, alors

Tenslotte

Enfin, finalement

8. Doel

Om (te)

Pour, pour que

Opdat

Afin de, afin que

B Categorieën die beweringen ontkennen of onderbreken


9. Tegenstelling

Maar

Mais

Toch, echter, evenwel

Pourtant, quand même, tout de même,

Cependant, toutefois

Daarentegen, integendeel

Par contre, en revanche, au contraire

Terwijl (met tegenstelling)

Alors que, tandis que

Hoewel

Bien que, quoique

Ondanks

Malgré

Niettemin

Néanmoins

In plaats van

Au lieu de

Zo (= hoeveel)

Si (+ alle tijden)

Hoe … ook, hoewel

On a beau + infinitif (=hele werkwoord)

10. Mogelijkheid, waarschijnlijkheid

Misschien, wellicht

Peut-être, sans doute

Mogelijk

Possible, il se peut

Waarschijnlijk

Probable

11. Voorwaarde

Tenzij, mits

À moins que, pourvu que

Op voorwaarde dat (anders niet)

À condition que

Als, indien (onwaarschijnlijke voorwaarde)

Si + imparfait, futur du passé

12. Relativering, beperking

Trouwens, overigens

D’ailleurs, par ailleurs, du reste

Eigenlijk

Au fond, proprement dit

Enerzijds… anderzijds

D’une part …., d’autre part

D’un côté …., d’autre côté

Hetzij…, hetzij

Soit …, soit

Nu eens …, dan weer

Tantôt …, tantôt

Weliswaar…., maar

Il est vrai que …, mais

Certes …, mais

Zoveel is zeker dat

Toujours est-il que

Wat betreft

Quant à

Tegelijkertijd (toch ook)

À la fois