In veel woorden kent het Engels ‘stille letters’: letters die wèl geschreven worden, maar niet uitgesproken. Om je een idee te geven om hoeveel woorden het hier gaat: iemand heeft ooit eens berekend dat 60% van de Engelse woorden ‘stille letters’ bevatten.

Enkele redenen waarom er ‘stille letters’ ontstaan zijn:

  1. leenwoorden uit andere talen: oud-Engels was voor 90% fonemisch (het werd uitgesproken zoals het geschreven werd). Deze woorden volgden de regels van de Engelse uitspraak niet. Een voorbeeld hiervan is de ‘t’ in ‘cabaret’, omdat de Franse uitspraak gevolgd wordt.
  2. invoering van de drukpers: na verloop van tijd veranderde het gesproken woord, maar het geschreven woord bleef hetzelfde. Een voorbeeld hiervan is de ‘gh’ in het midden van een woord, zoals night.

Stil of niet stil?

Hoe kun je nou weten of een letter ‘stil’ is of niet? Helaas is hier geen regel voor. Het enige wat je kunt doen, is de woorden uit je hoofd leren. Een tip hierbij is dat voor jezelf ‘kapstokwoorden’ ontwikkelt. In sommige medeklinkercombinaties is vaak wordt vaak één medeklinker niet uitgesproken. Je neemt een voorbeeldwoord (de kapstok) – bijvoorbeeld ‘know’ – en daar hang je alle woorden die je tegenkomt en dezelfde stille letter hebben – bijvoorbeeld knife, knock – , aan op. Je hersenen werken zelf ook een beetje op die manier. Stel het voor als één grote ladenkast en in ieder la zit iets. Je trekt het bijbehorende laatje open en propt het erbij. Kom je een volgende keer het woord weer tegen, dan gaan je hersenen automatisch naar de betreffende la met je kapstokwoord en weet je welke letter niet uitgesproken wordt.

Om welke letters gaat het?

Vrijwel alle letters van het alfabet komen voor op de lijst van soms niet uitgesproken letters. Voorbeelden hiervan zijn:

stil in wèl uigesproken in
A head, bread, deaf
B comb, debt, cilmb obtain
C muscle, black, science sceptic
D Wednesday, handkerchief
E more, have, give
F stiff, cuff
G ought, might, gnome, sign
H ghost, cheetah, vehicle, rhyme, hour
I business, fashion,
J
K know, knife, knock
L talk, salmon, colonel, half
M
N hymn, autumn, column,
O leopard, jeopardy
P psalm, psychology, receipt
Q
R purr
S isle, island viscount
T often, fasten, mortgage
U build, plague, guest
V
W whole, sword, write, two
X Sioux
Y prayer, mayor
Z rendezvous

.